Matthäus van De Leeuw nog niet volgroeid

Dirigent Reinbert de Leeuw Foto Andreas Terlaak

Wie maandag naar De Wereld Draait Door had gekeken, had misschien een razendsnelle Matthäus verwacht, dinsdagavond in het Arnhemse Musis Sacrum. Op tv had Reinbert de Leeuw („Ik wist zeker dat het stuk anders moest klinken dan ik altijd had gehoord”) het Nederlands Kamerkoor en Holland Baroque in een moordtempo door Sind Blitze, sind Donner geloodst. Maar in de concertzaal vielen juist zijn trage tempi op.

O Mensch, bewein dein Sünde gross? Alsof je per ongeluk een 45-toerenplaat op 33 toeren afspeelde: onwerkelijk langzaam, ritmisch viel het allemaal net niet op zijn plaats. De dissonante passages (‘und legt dabei all Krankheit ab’) verloren hun venijn.

Een mislukking? Allerminst. Lang niet alles was spatgelijk, er zaten nog wat schommelingen in de dynamiek, de samenwerking moet nog rijpen. De Matthäus van De Leeuw is nog niet volgroeid, maar wel zeer spannend. In de koralen liet hij het Nederlands Kamerkoor zalvend over de komma’s heen zingen.

Reinbert de Leeuw is niet de eerste dirigent die besluit om Wenn ich einmal soll scheiden a cappella in te zetten, maar wat bleek dat effectief. Het contrast tussen het contemplatieve en het drama (de daaropvolgende ‘aardbevingsscène’) kon niet treffender worden geaccentueerd.

De Leeuw, 77 en vooral bekend als vertolker van modern repertoire, is eigenlijk nog een Matthäus-groentje: drie jaar geleden dirigeerde hij Bachs meesterwerk pas voor het eerst. Jos van Veldhoven doet het al decennia. In 1984 introduceerde hij de historische uitvoeringspraktijk bij De Nederlandse Bachvereniging, later maakte hij het Nederlandse publiek vertrouwd met de aanpak waarin solisten versterkt met ripiënisten de koren vervangen. De vraag was wat Van Veldhoven dit jaar uit zou lichten.

Zaterdag leidde hij de ‘Naardense Matthäus’ in het Utrechtse TivoliVredenburg. Waar je bij de avontuurlijke interpretatie van De Leeuw nog weleens verlangde naar een wat betere afwerking, was dat hier andersom. Het was onberispelijk, strak en smaakvol, maar niet opzwepend en de bij Van Veldhoven verwachte vraagtekens bleven uit.

Wel ‘anders dan anders’ was Shunske Sato’s vioolsolo in Erbarme dich. In de barokke praktijk was het gebruikelijk om de herhalingen rijk versierd te spelen. Bij Sato klonken die herhalingen als een herinnering aan de uitgeschreven partij. Verfrissend.

De Nederlandse Bachvereniging moest het doen zonder evangelist Benjamin Hulett, die wegens ziekte af moest haken. Juist invaller Marcel Beekman zorgde ervoor dat deze Matthäus net wat kruidiger werd. Beekman is theatraler, maar zijn interpretatie was doorleefd en van a tot z geloofwaardig. Ook vocaal maakte hij indruk met een indringend en vol pianissimo op ‘und verschied’.

Voor wie deze passietijd wat anders wil dan de Matthäus, zijn de alternatieven talrijk – passies genoeg. Maar het Orkest van de Achttiende Eeuw maakt het dit jaar heel bont: samen met Cappella Amsterdam doen ze wel Bach, maar niets in de passiesfeer. Dwars? Ja. Goed? Absoluut, bleek maandag in de Philharmonie in Haarlem.

Onder leiding van Daniel Reuss speelde het onder meer het Gloria uit de cantate 191. Dat zijn dezelfde noten als in het Gloria uit de Hohe Messe. Alsof ze wilden zeggen: die Matthäus-traditie is leuk, maar de Hohe Messe is toch echt Bachs allerbeste werk. Ze hebben gelijk.