Buiten de stad, net als Silicon Valley

Op de High Tech Campus aan de rand van Eindhoven werken mensen van over de hele wereld. Bij bedrijven als ASML en Philips, maar ook bij start-ups. „Het werk is genoeg afleiding voor het waardeloze weer en het platte land.”

Illustratie Gijs Kast

Een buslading technici loopt over een lege asfaltlaan. Aan beide kanten is de laan omgeven door grasvelden met kale bomen, geplaatst op nauwkeurig afgemeten afstand van elkaar. Links een vijver met riet, rechts torent een kolos van beton en glas boven de wandelaars uit. Philips, staat erop in grote, blauwe letters.

Auto’s rijden hier niet, op een enkele fietser na wordt er gewandeld. Het is een internationaal gezelschap, Chinezen en Indiërs zijn oververtegenwoordigd. Ze zijn onderweg naar een van de ongeveer vijftig gebouwen van de High Tech Campus Eindhoven, waar ze onderzoek doen naar nieuwe toepassingen van technische wetenschap. De werkdag is begonnen.

De High Tech Campus in Eindhoven is als een dorp, zij het met bovengemiddeld veel beta’s. Meer dan 10.000 technici, marketeers en ondernemers werken op de bedrijvencampus bij zo’n 140 bedrijven, van giganten als Philips, NXP, ASML en Intel tot start-ups die alles nog te bewijzen hebben. Elke dag vragen bedrijven op het terrein vier patenten aan. Het zorgt ervoor dat Eindhoven de meest innovatieve regio ter wereld is, volgens zakenblad Forbes.

Een groot deel van de bewoners is niet-Nederlands: 85 nationaliteiten liepen er rond bij de laatste telling. Geen wonder dat er zo weinig gefietst wordt.

Op de campus, in de jaren negentig gebouwd als onderzoekslab van Philips, zitten acht restaurants, een supermarkt, een kapper en zelfs een verzekeringsadviseur.

Een-op-eengesprek

Voor de campusbevolking die in en rond Eindhoven woont, is het leven in Nederland wennen. De Spaanse Clara Otero (40) viel vooral over de Nederlandse etenstijd. Ze is hoofd van de onderzoeksafdeling bij chipfabrikant NXP, waar ze een team leidt dat onder meer zelfrijdende auto’s onderzoekt. „In het begin at ik ’s avonds een keer met mijn huisgenoten om zes uur en een keer zelf om tien uur”, zegt ze in vloeiend Nederlands.

Ook vond ze Nederlanders maar individualistisch. „Je hebt een groepje vrienden van werk, een groepje van de universiteit en een groep van waar je vandaan komt. Ik heb wel eens gevraagd of ik iemand van buitenaf mocht uitnodigen, maar dat ging niet. Het zou maar raar zijn: de rest van de groep kende haar niet.” Wat ze in Nederland wel leerde waarderen: het één-op-ééngesprek. „In Spanje gebeurt dat niet zo snel, je spreekt af met een hele groep.”

Otero kwam in 1997 naar de campus in Eindhoven, toen het nog Philips was. „In de jaren negentig zat Philips in zwaar weer”, zegt Frans Schmetz (61), algemeen directeur van de High Tech Campus. „Het zag in dat andere bedrijven nodig waren, anders bloedde de campus dood.”

In 2003 stelde dat bedrijf het terrein open voor andere ondernemingen en in 2012 werd het terrein verkocht aan een private investeerder. Philips is nu nog slechts een huurder.

Otero zag de campus veranderen van een gesloten bastion in een open technologiecentrum. Het hek ging open en de bewaking kwam niet langer om zeven uur kijken wat je nog op het terrein deed. In de tussentijd stootte haar werkgever Philips aan de lopende band bedrijfstakken af, omdat het terug wilde naar de kern van het bedrijf. Tijdens de verzelfstandiging van haar huidige werkgever in 2006 was ze zwanger. „Ik ging weg bij Philips, vier maanden later was het NXP. Stonden mijn dozen in een ander gebouw.”

Nadat de rol van Philips kleiner was geworden, veranderde de campus. Vergaderzalen voor meer dan twintig man werden gesloopt en de verschillende bedrijfskantines gesloten. De brede asfaltlaan werd een ontmoetingsplek: The Strip, noemen de campusbewoners het. Het stikt er van de eetgelegenheden, zoals een curryrestaurant voor de Pakistanen en Indiërs. Voor die groep is ook cricket toegevoegd aan de aangeboden sporten.

Gezellig lunchen op The Strip

Om 12 uur klinkt er rumoer op The Strip: lunchtijd. Opeens is het druk op de campus. Er wordt om de vijver gewandeld, de restaurants zitten vol. Mensen groeten elkaar: de laan is ineens zo leeg niet meer.

Dio Nunes (29) uit Angola eet een bord rijst met kip. Sinds vier maanden werkt hij op de Eindhovense campus voor Philips. Nederland is niet perfect, maar „het werk is genoeg afleiding voor het waardeloze weer en het platte land”, zegt hij. Hiervoor werkte hij in Drachten. Is dat niet een saaie kennismaking met Nederland?

Dat valt wel mee, zegt Nunes. Hij vindt het juist goed dat de campus op enige afstand van de bewoonde wereld ligt. „Kijk naar Silicon Valley. Het idee is om je mensen ver weg van de stad te houden. Dan is er minder afleiding.”

Roadshows

Nunes kwam uit eigen beweging naar Nederland. Hij wilde per se werken bij Philips, solliciteerde via LinkedIn op een stageplek in Drachten en werd uitverkoren. Het is een gebruikelijke manier om op de campus terecht te komen: op de campus lopen veel mensen rond die er ooit begonnen als stagiair.

Grotere werkgevers zoeken ook zelf naar personeel. Steffie van de Vorstenbosch van kenniscentrum Holst Centre, dat onderzoek uitvoert voor industriële partners: „We worden veel benaderd, maar werven ook via social media en zijn aanwezig op bijvoorbeeld de career fair van MIT, de technische universiteit in Boston.” De verhouding tussen Nederlanders en buitenlanders is bij Holst ongeveer 60/40, schat Van de Vorstenbosch.

Ook NXP rekruteert internationaal. Open sollicitaties komen veel voor, zegt Otero. Daarnaast werven ze op technische universiteiten, carrièrebeurzen en evenementen als de Dutch Technology Week.

Voor het binnenhalen van talentvolle start-ups op de campus zijn algemeen directeur Schmetz en directeur communicatie Bert-Jan Woertman (44) verantwoordelijk. Ze zoeken daarbij niet naar individueel talent, maar naar bedrijven met potentie, zeggen ze. Hun belangrijkste bezit is hun netwerk. Zo hebben ze veel aan bedrijven die op de campus en in Silicon Valley zitten.

Woertman geeft nog een voorbeeld. Een hoge ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Energie, Devanand Shenoy, stond op de deelnemerslijst van een van hun internationale evenementen. „We hebben hem gevraagd te spreken en met ons te eten. Dan doe je een contact op dat je een introductie kan geven bij bedrijven in New York.”

Ook helpen partners als Startupdelta en Brainport, die binnen- en buitenlandse start-ups op weg helpen, de campus. „En sinds een paar jaar krijgen we ook veel verzoeken van start-ups die hier wel willen komen”, zegt Schmetz. Daar maken Schmetz en Woertman dan een selectie in: aanwinsten moeten het netwerk versterken en iets aan het ecosysteem toevoegen.

Als een huis op de Bahama’s

Valer Pop (39) heeft zo’n start-up. Hij begon in 2001 bij Philips en werkte later bij kenniscentrum Holst. Jarenlang deed hij onderzoek naar chips.

Zijn in 2015 opgerichte bedrijf Lifesense Group maakt sensoren die incontinentie detecteren. Geen sexy onderwerp, geeft hij toe, maar wel noodzakelijk. „Een derde van de vrouwen heeft na zwangerschap last van urineverlies, maar naar de dokter gaan ze niet.” Met een chip en meetsysteem in een speciaal gemaakte slip, plus bijbehorend trainingsprogramma monitoren ze hun vooruitgang zelf. Trots giet de Roemeen water op een stuk textiel: „Het droogt binnen een paar minuten.” Hij heeft er patent op gekregen.

Pop werd niet gescout, maar kwam op eigen gelegenheid naar Nederland. De decaan op de Roemeense universiteit kende iemand bij Philips, die een eindproject regelde. Het was de eerste keer dat hij – 23 jaar oud – in het buitenland kwam. „Ik moest er speciaal een paspoort voor aanvragen.” Veel last van culturele clashes had hij in Nederland niet. De grootste schok was zijn eerste salaris: in één keer 1.400 euro op zijn rekening, een astronomisch bedrag.

Dat hij nu zijn eigen kantoor heeft, voelt als een droom – ook al moest hij Eindhoven de eerste keer dat hij naar Nederland kwam opzoeken op de kaart. Pop: „Het voelt als een huis op de Bahama’s.”

    • Jochem van Staalduine