Vechten voor moeder en appeltaart

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Mijn buurman komt eindelijk thuis uit het ziekenhuis en ik wil hem graag met iets lekkers verwennen. Tenslotte kreeg hij al die tijd alleen maar vloeibaar eten. Maar waar maak je een Amerikaan nu echt blij mee? „Wat kreeg je als klein jongetje vroeger als je ziek was?”, vraag ik hem. Hij klaart op. „IJs”, zegt hij. „In een hoorntje.”

Het ijshoorntje blijkt uitgevonden in zijn geboortestad St. Louis, tijdens de Wereldtentoonstelling in 1904. Wegens de grote opkomst was er een tekort aan bakjes. Om toch iedereen te kunnen voorzien van ijs werd het in een tot punt gevouwen wafel gedaan. Zijn grootvader vertelde vaak hoe hij met zijn vader over de World’s Fair wandelde. Buurman krijgt een twinkeling in zijn ogen. „Je kent de film toch wel?”, vraagt hij, „Meet Me in St. Louis, met Judy Garland.” Hij mag eigenlijk de rolstoel nog niet uit, maar hij staat op en begint, wankel op dunne benen, luidkeels te zingen: „Meet me at St. Louis, Louis, meet me at the Fair.

Laat ik nu altijd verondersteld hebben dat ijshoorntjes uit Italië kwamen. In ieder geval niet uit een stad in het Middenwesten van Amerika. Maar voor ijs is het vandaag te koud.

„Wat ik nu echt zou willen”, zegt hij na een poosje, „is appeltaart. Mijn moeder bakte altijd appeltaart als ik ziek was. Als die geur uit de oven kwam, sprong ik mijn bed uit om een stukje te proeven.”

De volgende dag ben ik in zijn keuken met eieren, meel, boter en appels in de weer. „Net als vroeger”, zegt hij opgewekt.

„Niets zo Amerikaans als appeltaart”, zeg ik, terwijl ik van deegreepjes een raster over de appelpartjes leg.

Maar ook hier helpt hij me uit een droom. Er is weinig Amerikaans aan de appeltaart. Om te beginnen, appels komen van oorsprong niet uit Amerika. Er groeiden hier wel crabapples, of wilde appels, maar die zijn zuur en hoeveel suiker je er ook op strooit, hoe lang je ze ook kookt, ze blijven oneetbaar. De appelbomen kwamen mee met de kolonisten, samen met de taartrecepten. Appeltaart werd hier zo razend populair dat het van eigen bodem leek te komen. De legende van Johnny Appleseed, in kinderboeken geportretteerd als een zorgeloos ventje dat aan één stuk door appels eet, droeg aan deze mythe bij.

Appeltaart werd synoniem met de Amerikaanse welvaart en het symbool van de Amerikaanse vaderlandsliefde. The New York Times schreef in 1902 dat twee keer per week appeltaart eten niet genoeg is, want het is het geheim van de welvaart en de basis van de industriële macht. „Appeltaart is het voedsel van de heldhaftigen. Een volk dat geen appeltaart eet zal voorgoed van de aardbodem verdwijnen.” Wanneer je tijdens de Tweede Wereldoorlog aan soldaten vroeg waarvoor ze vochten, was het antwoord: „Voor moeders en appeltaart.”

Terwijl buurman een uurtje later van zijn tweede stukje taart smult, denk ik aan de metafoor van Amerika als smeltkroes zoals ik die op school leerde. Het land is een lappendeken van culturen. Maar niet alleen mensen emigreren, voedsel doet dat ook. Onderweg worden er dingen aan toegevoegd, wordt het aangepast aan een andere smaak, of totaal veranderd. De kracht van dit land ligt niet zozeer in het bedenken van nieuwe gerechten, als in het vermogen het beste van de wereld vast te houden en er een groot stempel Made in the USA op te zetten.