Fasseur was een verteller, geen zedenmeester

Hij schreef zelf geschiedenis als auteur van de ‘Excessennota’, over oorlogsmisdaden in Indië. Later werd Cees Fasseur vooral de historicus van het Koninklijk Huis.

Portret van Fasseur uit 2008 Foto: Marcel Antonisse/ANP

Lichtvoetig laveren door een mijnenveld – de zondag overleden historicus Cornelis (Cees) Fasseur kon dat als geen ander. Fasseur schreef over het koningshuis en het vaderlandse koloniale verleden, onderwerpen waarbij in Nederland de controverse nooit ver weg is. Hij vond echter dat een historicus met zijn mening niet tussen het onderwerp en de lezer moest gaan staan. „Geschiedenis is begrijpen”, zei hij daarover in 1999 in een gesprek met NRC Handelsblad. „Ik beoefen dit vak niet om de zedenmeester uit te hangen.”

Bij het grote publiek geniet Fasseur vooral bekendheid als biograaf van koningin Wilhelmina en als chroniqueur van het turbulente huwelijk van Bernhard en Juliana. Maar zijn eerste bijdrage aan het historische debat leverde hij al in de jaren zestig, als ambtenaar van het ministerie van Justitie. Onthullingen in de pers over Nederlandse wandaden tijdens de dekolonisatieoorlogen in Indië hadden tot grote commotie geleid, en op het departement zocht men naar iemand die in korte tijd een archiefonderzoek kon uitvoeren. Het oog van zijn meerderen viel op Fasseur, die in Leiden geschiedenis en rechten had gestudeerd. Hij werd benoemd tot secretaris van de onderzoekscommissie en moest in grote haast zijn werk doen. Fasseur schreef het rapport, dat de geschiedenis zou ingaan als de Excessennota, goeddeels alleen.

De nota vermeed het woord ‘oorlogsmisdaden’, omdat dat politiek te gevoelig lag, en was bij lange na niet uitputtend. Verder onderzoek was echter niet nodig, meende de ambtelijke en politieke top. Fasseur dacht daar anders over, maar zat klem. Als historicus vond hij dat met zijn rapport niet het laatste woord was gezegd, maar als ambtenaar kon hij niet tegen de leiding van zijn departement ingaan. Toch wilde hij iets van zich laten horen – en dat deed hij door onder een schuilnaam een kritische brief te sturen aan Vrij Nederland, daags voordat er in 1969 over ‘zijn’ Excessennota in de Tweede Kamer werd gedebatteerd. „Opmerkelijk genoeg was deze brief vrijwel de enige oppositie tegen de opzet van het onderzoek”, zei hij daarover vorig jaar in deze krant. Hij pleitte in dat gesprek opnieuw voor nadere studie naar Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië.

Fasseur schreef voor het ministerie van Justitie nog belangrijke wetgeving op het gebied van onder meer abortus, voordat hij in 1986 in Leiden hoogleraar geschiedenis van Zuidoost-Azië werd. Hij hernam daar niet het onderzoek naar de excessen, maar bleef wel schrijven over Nederlands-Indië, waar hij in 1938 in Balikpapan was geboren. Van zijn vierde tot zijn zevende zat hij in een Jappenkamp. De herinnering daaraan was vaag, zei hij in 1999: „honger en gezelligheid”.

Fasseur publiceerde in Leiden onder meer over de Indische ambtenarij. Zijn opvatting van de historicus als waarnemer op afstand, gecombineerd met de licht ironische manier van schrijven die meer Leidse geschiedkundigen eigen is, leverde hem soms het verwijt op dat hij het Nederlandse optreden in de Oost vergoelijkte. Onder anderen Rudy Kousbroek polemiseerde tegen hem.

Enige jaren voor zijn vertrek uit Leiden begon de tweede fase van Fasseurs loopbaan als historicus. Hij publiceerde een tweedelige biografie over koningin Wilhelmina en schreef een boek over de huwelijkscrisis tussen prins Bernhard en koningin Juliana die het gevolg was van het optreden van gebedsgenezeres Greet Hofmans. Zijn vlot leesbare stijl en het duidelijke plezier dat hij had in zijn onderwerp, maakten de boeken tot een commercieel succes. In deze biografieën kon Fasseur doen wat hij het liefst deed: verhalen vertellen over mensen. De historische school waar men zich vooral bezighoudt met grafieken en tabellen, was niet de zijne.

Fasseur kreeg voor zijn onderzoek van koningin Beatrix toegang tot het Koninklijk Huisarchief – als enige historicus. Een aantal collega’s zette daar vraagtekens bij. Hoe konden zo zijn bronnen worden gecontroleerd? En was hij op deze manier niet de ‘hofhistoricus’ geworden, met alle implicaties voor zijn onpartijdigheid van dien? Fasseur verdedigde zich tegen deze verwijten met de voor hem kenmerkende parmantige zelfverzekerdheid. In 2008 zei hij in een interview naar aanleiding van de publicatie Juliana & Bernhard, het verhaal van een huwelijk: „Ik heb absolute vrijheid bedongen bij de inzage in stukken en bij het schrijven. Als ik ook openbaarheid van de stukken had geëist, was het boek er niet gekomen. Ik heb liever wel een boek dan geen boek. Let wel, het gaat hier om een huwelijkscrisis. Dat Beatrix mij in de papieren heeft laten grasduinen, is moedig van haar.”

Fasseur hield zich na zijn Leidse emeritaat in 2001 niet alleen bezig met de koninklijke familie. Hij was ook raadsheer bij het gerechtshof in Amsterdam en was lid van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Ook had hij zitting in de in 2009 ingestelde commissie-Davids, die onderzoek deed naar de besluitvorming rondom de deelname aan de Irakoorlog in 2003.

Zoals bij wel meer gepensioneerde historici groeide zijn productie op latere leeftijd flink door. In 2014 publiceerde hij een biografie over Pieter Sjoerds Gerbrandy, Nederlands minister-president tijdens de Tweede Wereldoorlog. En voor volgende maand staat de publicatie van zijn autobiografie Dubbelspoor op stapel. Daarin zou Fasseur, zo belooft de aanbiedingstekst van de uitgever, ingaan op zijn werk als ‘hofbiograaf’ en zijn lidmaatschap van de commissie-Davids.

Met zijn overlijden zijn deze memoires het laatste woord geworden in het levensverhaal van Cees Fasseur.