Hoe  Botticelli na vijf eeuwen nog steeds invloed heeft

Kijk naar Lady Gaga, Uma Thurman en Rineke Dijkstra, dan zie je dat renaissanceschilder Botticelli nog steeds invloed heeft. Het V&A Museum in Londen brengt oud, iets minder oud en nieuw samen.

Albumhoes van Lady Gaga

Uma Thurman is de mooiste venus van allemaal. Vanuit de hoogte kijkt ze vanaf een filmscherm op ons neer, in de eerste zaal van de tentoonstelling Botticelli Reimagined in het Londense V&A Museum. Ze oogt sereen, een tikkeltje hooghartig maar vooral wonderschoon, met haar rossige krullen en haar framboosrode lippen. Wanneer ze uit haar schelp omhoog rijst, in Terry Gilliams film The Adventures of Baron Munchausen (1988), en de nimfen aan komen zeilen om haar verpletterende naaktheid snel te bedekken met voiles, vallen de monden van alle omstanders open.

Hoe groot de invloed van renaissanceschilder Sandro Botticelli (1445-1510) is op onze huidige cultuur, daarover gaat Botticelli Reimagined. Van de etalages van Bulgari tot de wieldoppen van Italiaanse raceauto’s, van de jurken van Dolce & Gabbana tot de albumhoes van Lady Gaga: allemaal zijn ze geïnspireerd door Botticelli’s madonna’s en godinnen. Met name de heldin van De geboorte van Venus, door Botticelli rond 1486 geschilderd en nu permanent te zien in het Uffizi in Florence, is ruim vijfhonderd jaar later nog steeds een superster. Afgezien van de Mona Lisa zal er geen geschilderde dame zijn die zo vaak op selfies van toeristen figureert als zij.

Het gekke is: dat is niet altijd zo geweest. Anders dan zijn tijdgenoten Rafaël of Da Vinci werd Botticelli vrij snel na zijn dood weer vergeten. Dat kwam mede door de karikaturale beschrijvingen van zijn werk door Giorgio Vasari, die Botticelli in zijn boek Le vite (1550) over Italiaanse schilders zag als een van de mindere goden. „Als je in 1824 aan de directeur van de net geopende National Gallery had gevraagd wie Botticelli was, had hij waarschijnlijk nog nooit van hem gehoord”, zegt Mark Evans, een van de curatoren van de tentoonstelling. Pas in 1844 werd De geboorte van Venus uit de kelders van het Uffizi gehaald. Rond 1900 kreeg ze er haar eigen zaal.

Veelzeggend is dat de Britse schilder Dante Gabriel Rossetti, oprichter van de prerafaëlietenbeweging, in 1867 Botticelli’s Portret van Smeralda Bandinelli bij Christie’s kon kopen voor slechts 20 pond. Dat schilderij is nu de enige Botticelli in de collectie van het V&A Museum en een sleutelwerk als het gaat om de herontdekking van de schilder – het vormde drie jaar geleden het startpunt voor het organiseren van deze expositie.

In de jaren dat Rossetti het paneel aan de muur van zijn huis in Chelsea had hangen, was het van immense invloed op zijn eigen werk. Net als Botticelli kennen we Rossetti nu vooral vanwege zijn portretten van engelachtige schoonheden met weelderige krullen. Lange tijd ging het hardnekkige gerucht dat Rossetti, bekend om zijn roodharige modellen, zelf de rossige haren schilderde op het portret. Maar recent onderzoek heeft uitgewezen dat de haardos van mevrouw Bandinelli wel degelijk door Botticelli is aangebracht.

De prerafaëlieten waren verantwoordelijk voor de heropleving van Botticelli in het victoriaanse Engeland. Schilders als Rossetti, Edward Burne-Jones en John Everett Millais bewonderden zijn heldere lijnen, zijn frisse kleuren, zijn gestileerde vormen. Zij vonden de oude Italiaan heel modern. Met name lentegodin Flora, te zien op Botticelli’s schilderij Primavera, werd een inspiratiebron. De volle haardossen, de ranke silhouetten, de decoratieve bloemenpracht – het werd door de Britten allemaal vrij letterlijk gekopieerd. Rond 1900 kon je gerust spreken van een Botticelli-manie. De Amerikaanse kunstverzamelaar Isabella Stewart Gardner moest in 1899 al 13.000 pond neerleggen voor de Chigi Madonna. Inmiddels ligt het record voor een Botticelli op ruim 10 miljoen dollar (ruim 9 miljoen euro): dat bedrag werd in 2013 betaald voor de Rockefeller Madonna.

Met dank aan Mussolini

Botticelli’s Venus heeft haar huidige sterrenstatus voor een groot deel te danken aan Benito Mussolini, die De geboorte van Venus eind jaren dertig als charmeoffensief op wereldtournee stuurde. In New York, waar ze werd getoond in het Museum of Modern Art, kwamen in 1940 maar liefst 290.000 bezoekers naar haar kijken. Heel New York hing dat jaar vol met posters met het gezicht van Venus – alsof zij het nieuwe popicoon was. Het inspireerde kunstenaars als Mark Rothko, Robert Rauschenberg en Andy Warhol om hun eigen odes aan Botticelli te maken.

De Amerikaanse dichter T.S. Eliot zei in 1951: iedere keer dat een nieuw kunstwerk wordt gemaakt, gebeurt er iets met alle werken die eraan voorafgingen. Anders gezegd: we kunnen de schilderijen van toen alleen bekijken met onze ogen van nu. Daarom begint Botticelli Reimagined in het heden, bij Uma Thurman en bij Rineke Dijkstra’s strandnimfen, en gaat dan terug in de tijd, naar Botticelli’s originelen. „We pellen als het ware de lagen van een ui af, tot we bij de kern komen”, zegt medecurator Ana Debenedetti. Eigenlijk zit er dus een Botticelli-blockbuster – er zijn maar liefst vijftig schilderijen en tekeningen van hem te zien – verstopt achter de moderne kunstwerken.

De inrichting van de eerste zalen is gelikt, met spiegelende zwarte tegelvloeren en verduisterde zalen waarin de hedendaagse kunstwerken fel oplichten. Hier zie je venussen in alle soorten en maten. De Chinese kunstenaar Yin Xin gaf haar Aziatische trekken mee op zijn schilderij uit 2008, om zo aan te tonen hoe dominant de westerse cultuur nog altijd is. Feministen als Ulrike Rosenbach en Valie Export gebruikten haar in de jaren zeventig om het stereotiepe vrouwbeeld aan de kaak te stellen. En de Braziliaan Vik Muniz bouwde het hele schilderij van Botticelli in 2007 na in afval, als kritische noot bij onze consumptiemaatschappij. Op zijn indrukwekkende foto blijken de rondingen van Venus’ buik bij nadere beschouwing gemaakt van springveren, terwijl boutjes en moeren de schaduwen op haar dijen vormen.

Dan verlaat je de schemering om binnen te stappen in de pastelkleurige romantiek van de negentiende eeuw, in zalen met babyblauwe vloerbedekking. Hier begint Botticelli’s herontdekking door de prerafaëlieten, maar ook door Franse kunstenaars als Jean-Auguste-Dominique Ingres, Gustave Moreau en Edgar Degas. Allemaal reisden ze halverwege de negentiende eeuw naar Italië om Botticelli’s meesterwerken te zien. En allemaal waren ze diep onder de indruk, zo bewijst een wand vol Botticelli-kopieën. Degas schreef in 1858 aan zijn vriend Moreau dat hij in de Accademia in Venetië een „allegorie” van Botticelli had gezien – hij bedoelde de Primavera – en dat hij hem verder niets ging vertellen, omdat hij hem wilde laten „watertanden”.

Dit tweede deel van de expositie is een indrukwekkende parade van roomwitte dijen, schaamhaarloze venusheuvels en kwelende blikken. Hier hangt Rossetti’s schitterende portret La ghirlandata (1873), van een harpspelend meisje met een porseleinwitte huid en een roodgestift pruilmondje, dat omringd wordt door engelen en pioenrozen – precies zoals Botticelli dat vier eeuwen eerder had gedaan.

De geboorte van Venus mag het Uffizi nooit meer verlaten, het is te kwetsbaar om nog te reizen. Maar dat gemis wordt in het derde hoofdstuk van de tentoonstelling goedgemaakt met twee venussen uit Turijn en Berlijn en met de meesterlijke Pallas en de centaur, die het Uffizi wel uitleende. Dit is het heiligdom van Botticelli Reimagined – de kern. Het zou de apotheose moeten zijn, en toch valt die tegen. Dat heeft vooral te maken met de liefdeloze presentatie van de Botticelli’s, die dicht opeen hangen in een steriel-witte ruimte met flets licht. In een smalle gang, achter een wit tussenschot, is nog een rij van zeven tondo’s verstopt. De ronde schilderijen, gevangen in barokke gouden lijsten, hangen dicht tegen elkaar aan gedrukt. Het is bijna oneerbiedig.

Strak en lineair als een stripverhaal

Gedurfder was het geweest wanneer de tentoonstellingsmakers de werken van Botticelli hadden gemengd met het hedendaagse werk. Dan hadden we goed kunnen zien hoe zijn heldere stijl, strak en lineair als een stripverhaal, zich kan meten met de kunst van nu. Zie hoe hij op De vlucht naar Egypte (circa 1500) de kop van een ezel afbeeldt alsof die uit marmer gebeeldhouwd is, met haarscherp omlijnde neusvleugels en grote Disney-ogen. Kijk naar zo’n schilderij en je ziet de plaatjes uit de kunstgeschiedenis voorbijtrekken die erdoor beïnvloed zijn: de gladde lichamen van Ingres, de felle kleuren van Warhol, de superscherpe glamour van David LaChapelle.

Of bewonder Botticelli’s fantastische Portret van een jonge man (circa 1480), een jongeling met een rode muts en lange haren die je met lodderige ogen aankijkt, arrogant en onzeker tegelijk. Het is een tijdloos beeld van een zelfbewuste puber. Had hij nu geleefd, dan had hij ongetwijfeld in een grungeband gespeeld.

Hier hangt ook de Chigi Madonna (circa 1470), een heilige, maar tevens een meisje van vlees en bloed. Er zijn weinig gezichten in de kunstgeschiedenis die zo fraai en zo teder zijn. Je zou ze willen aanraken, die dunne blonde wenkbrauwen en die zachtroze wangen. T.S. Eliot had gelijk: je kunt haar niet meer bekijken zonder de kennis van nu, zonder dat de hedendaagse beelden zich opdringen. Ik kijk naar dit meisje, vijf eeuwen geleden geschilderd, en ik zie Uma Thurman, in misschien wel een van haar beste rollen.