Nu vinden we de Duitsers weer leuk

Nederland houdt steeds meer van Duitsland. Zelfs het Duitse voetbal oogst waardering. Eigenlijk zoals het vroeger was, vóór 1940.

Bezoekers van het Oktoberfest op de NSDM-werf in Amsterdam in2013. Foto Marc Driessen/HH

Nederlanders zijn een raar volk. Geen Pool zal het in zijn hoofd halen om in een Lederhose te lopen. Maar in Nederland vieren de laatste jaren steeds meer mensen, gehuld in quasi-Beierse klederdracht, Oktoberfeste. Op tientallen plaatsen in Nederland kun je nu in de herfst aan lange tafels worst eten en pullen bier drinken, die worden gebracht door serveersters in dirndljurken.

De Oktoberfeste in steden als Amsterdam en Alkmaar zijn een van de vele uitingen van de recente liefde die Nederland voor Duitsland heeft opgevat. In Alles klar. Nederland-Duitsland van A tot Z brengt journalist en schrijver Sietse van der Hoek vele aspecten van de nieuwe Duitslandliefde in kaart. Niet alleen bezoekt hij een Oktoberfest in Werkendam, dat de plaatselijke Lions Club heeft georganiseerd om meer jongeren te trekken, maar ook de luxe Imbiss Brezel & Bratwurst in de Amsterdamse Pijp en de ‘nonnen in Vught’ van het Taleninstituut Regina Coeli, waar steeds meer Nederlanders een spoedcursus Duits volgen.

Behalve luchtige en soms zelfs vrolijke reportages omvat Alles klar ook mooie, serieuze beschouwingen over het van oorsprong Duits-Zwitserse begrip heimwee, het toenemende aantal Duitse leenwoorden in het Nederlands, zoals über in plaats van ‘super’ en omdenken voor het afgrijselijke ‘out-of-the-boxdenken’, en de economische verwevenheid van Nederland en Duitsland.

Voetbal is evenmin ontsnapt aan de aandacht van Van der Hoek. Hij noemt de recente Nederlandse waardering voor het Duitse voetbal het ‘kanariepietje dat als eerste laat merken dat er iets aan de hand is in de kolenmijn’. Zeker sinds de WK-finale van 1974 was Duitsland lange tijd de grote rivaal. Hoewel Nederland de finale en de meeste andere wedstrijden tegen Duitsland verloor, kon het zich met zijn ‘totaalvoetbal’ toch beter wanen dan het saaie Duitse elftal. Maar tijdens het WK van 2014 waren de rollen omgedraaid en werd Duitsland kampioen met voetbal uit de ‘Hollandse School’, terwijl Nederland wegens gebrek aan kwaliteit overstapte op defensief voetbal.

Bij het in kaart brengen van de vele uitingen van de nieuwe Duitslandliefde verkent Van der Hoek ook de anti-Duitse gezindheid die in Nederland na afloop van de Tweede Wereldoorlog groter en langduriger was dan waar ook in Europa. Die blijkt vooral een Amsterdamse aangelegenheid, zo laat hij de historicus H.W. von der Dunk uitleggen. Volgens Von der Dunk, die als klein kind met zijn ouders nazi-Duitsland ontvluchtte, was Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog een ‘afschuwelijke stad’, met een groot Joods getto en de kern van het SS-bewind.

Na de oorlog werd Nederland onder druk van de Koude Oorlog gedwongen tot economische en militaire samenwerking met Duitsland. ‘Toen is onder intellectuelen, met name die in Amsterdam, als een soort compensatie [...] een stemming ontstaan die erop neerkwam: oké, nu zijn we er [...] om ervoor te zorgen dat Duitsland niet in revanchisme en fascisme vervalt.’ De afkeer van Duitsland ging gepaard met een gerichtheid op de Angelsaksische wereld. Maar die is nu, getuige de recente liefde voor Duitsland, snel aan het verminderen. Hiermee keert Nederland volgens Von der Dunk terug naar de Normalität van vóór de nazitijd, toen het in de eerste plaats was georiënteerd op Duitsland.