Nederland twijfelt nu vooral over God

Geloven is meer een kwestie van afweging dan van overtuiging geworden. Dat blijkt uit een groot onderzoek.

„Ik weet niet of ik gelovig ben of eigenlijk meer naar geloof verlang.” Aldus een „kerklid” in de enquête die is gehouden voor het onderzoek God in Nederland. Het onderzoek, in opdracht van de KRO, samengesteld door Ton Bernts van het Kaski-instituut van de Radboud Universiteit Nijmegen en Joantine Berghuijs van de Amsterdamse Vrije Universiteit, is zondag gepresenteerd.

Het citaat is in al zijn wankelmoedigheid typerend voor de stand van zaken op het gebied van het christelijke (on)geloof in Nederland – niet-christelijke religies, samen goed voor 7 procent van de Nederlandse bevolking, blijven buiten beschouwing bij God in Nederland, dat sinds 1966 ruwweg eens in de tien jaar werd uitgevoerd. Zowel bij gelovigen als bij spirituelen en zelfs bij de expliciet ongelovigen nemen de twijfels toe. Zo denkt 22 procent van de 2.140 ondervraagden dat getallen of voorwerpen „misschien” wel geluk brengen.

De vijfde editie van God in Nederland beslaat een halve eeuw christelijk geloof en de trendmatige ontwikkelingen daarin zijn duidelijk, een paar daarvan zijn het afgelopen decennium aanzienlijk versneld. „Samenvattend is er sprake van een sterke ontkerkelijking en is de groep buitenkerkelijken in vijftig jaar tijd verdubbeld, naar 68 procent op dit moment”, schrijven de onderzoekers. De grootste groep van de ondervraagden noemt zichzelf seculier: 41 procent. Degenen die zichzelf aanduiden als kerkleden beslaan nog maar een kwart van de bevolking.

We weten het niet

Bij de presentatie van het rapport in 2006 kon nog worden geconcludeerd dat kerkbezoek en -lidmaatschap dan misschien wel afnamen, maar dat het maatschappelijk belang van kerken groot bleef. Dat valt nu niet langer vol te houden. De afgelopen tien jaar is niet alleen het aantal Nederlanders dat lid is van een kerk opnieuw gedaald (van 39 naar 32 procent) en het aantal mensen dat nooit de kerk bezoekt gestegen van 47 naar 59 procent, ook hechten zij minder belang aan religie bij belangrijke momenten. In 2006 vond 73 procent religie nog belangrijk bij geboorte of overlijden, in 2015 was dat teruggelopen naar 59 procent. Voor hun identiteit als Nederlander vindt nu 35 procent religie belangrijk. In 2006 was dat nog 48 procent.

Nederlanders zien zichzelf in dit onderzoek als „eigenlijk wel” of „eigenlijk niet” gelovig, als „eigenlijk wel” of „eigenlijk niet” spiritueel – religiositeit en spiritualiteit is anno 2016 meer een afweging dan een overtuiging. Na eeuwen van vast geloof en daarna decennia van ontkerkelijking, lijkt Nederland nu in de jaren van de twijfel te zijn beland.

Voor de zekerheid van het geloof komt niet de zekerheid van het ongeloof in de plaats. Ook de ‘seculieren’ geven in de enquête veel vaker dan vroeger antwoord met „weet niet” of „misschien”. Zelfs op een ruim gestelde vraag als „Ik heb er behoefte aan af en toe de zin van mijn leven te overdenken”, geven de meeste mensen het antwoord: „Klopt gedeeltelijk”. En op de heel specifieke vraag: „Gaat de vrijheid van meningsuiting zover dat kwetsen van religieuze groepen mag”, is het percentage mensen dat „weet niet” antwoordt verzevenvoudigd.

Misschien ben ik boeddhist

De „transcendente geloofsvoorstelling” (het geloof in een hogere macht daarboven) is in tien jaar tijd sterk teruggelopen, van 60 naar 42 procent van de ondervraagden. Een kwart van de Nederlanders gelooft helemaal niet in God of in een hogere macht. Opmerkelijk: onder de leden van de Rooms-Katholieke Kerk gelooft nog maar 17 procent in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezighoudt. Bijna de helft van de katholieken is wat de onderzoekers karakteriseren als ietsist: iemand die gelooft dat „een hogere macht” het leven beheerst. Ter vergelijking: bij de ‘kleine’ protestantse kerken is het geloof in de nabije, persoonlijk betrokken God bij 83 procent van de leden aanwezig.

Buiten deze rotsvast gelovende groep (4,2 procent van de Nederlandse bevolking) heersen de twijfels. Die beperken zich niet tot de (voormalige) gelovigen. Ook de groep die als spiritueel wordt gekarakteriseerd heeft meer onzekerheden dan zekerheden. Een ondervraagde: „Misschien ben ik ook wel een boeddhist, dat onderzoek ik nu.”

De ontwikkeling in de spiritualiteit in Nederland is afgeremd. In 2005 voorspelden twee Britse schrijvers dat de lineaire toename van het „holistische milieu” sinds de jaren zestig, zich in de komende decennia zou voortzetten „bij een gelijktijdige afname van de traditionele vormen van (christelijke) godsdienst”. Die voorspelling wordt door de uitkomsten van God in Nederland gelogenstraft. Berghuijs: „Het is niet mogelijk in onze resultaten een doorgaande revolutionaire ontwikkeling in het afgelopen decennium te ontwaren.”