Hoe Nederlandse boeren de nazi’s hielpen

In de Tweede Wereldoorlog vertrokken bijna 7.000 Nederlandse boeren, tuinders en vaklui als Germaanse ‘broeders’ naar bezet Oost-Europa.

Eindeloze akkers vol wuivend graan: per onmiddellijk in te nemen. Dat was de fraaie aanbieding die nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog deed aan de Nederlandse boerenstand. De beschikbare grond lag in de veroverde delen van de Sovjet-Unie: de Baltische staten, Wit-Rusland en Oekraïne. De bezetters hadden hier dringend mensen nodig om de gestokte voedselproductie weer op gang te brengen – en wie kon daarbij beter helpen dan het Germaanse buurvolk?

Het Duitse aanbod kwam veel Nederlandse boeren goed uit, schrijft Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel, historica aan de Universiteit Utrecht, in Hitlers broedervolk. De landbouw had in Nederland een zware periode achter de rug: voor veel (jonge) boeren was er geen werk en er bestonden zorgen over de voedselvoorziening. De eerste kolonisten trokken al snel naar de veroverde gebieden.

De grote man achter deze verhuizing was de beruchte NSB’er Meinoud Rost van Tonningen, president van De Nederlandsche Bank én leider van de in 1942 opgezette Nederlandsche Oost Compagnie (NOC). Het was geen toeval dat de naam van deze organisatie leek op die andere beroemde compagnie die welvaart uit de Oost had gehaald: de VOC. De uitzending van boeren, tuinders, turfstekers en andere vaklui naar bezet Oost-Europa werd in het propagandamateriaal van de NOC in direct verband gebracht met de koloniale geschiedenis van Nederland.

Verder was de trek naar het oosten onderdeel van de opdracht aan de Germaanse volkeren hun ‘historische levensruimte’ in deze streken weer in te nemen. De NOC-folders ronkten: ‘Dus oostwaarts naar de Oekraïne, waar de zwarte aarde wacht op vakbekwame, energieke Germaanse boeren. […] Karaktervolle, Germaanse mensen, nazaten van die Nederlanders, die als pioniers naar oost en west en zuid trokken en de roem van onze geslachten hoog hielden.’

Het was heel anders dan thuis

Uiteindelijk trokken tot eind 1944, toen de Sovjets de bezette gebieden heroverden, ongeveer 5.250 Nederlanders vrijwillig naar het oosten. Nog eens 1.500 werden er gedwongen tewerkgesteld. Bij hun aankomst troffen deze mannen (en enkele vrouwen) een bevolking aan die heel anders was dan thuis. Een NOC-medewerker omschreef hen als ‘arbeidschuw als de Scyten’, ‘zwart gebrand als de Indiërs’ en ‘afgrijselijk wreed als de Tartaren’. De kolonisten konden daarom maar beter niet te aardig zijn voor hun personeel, aldus een Nederlander die al vroeg in de bezette gebieden was aangekomen. ‘Als je ze vriendelijk en goed behandelt, worden ze na enkele dagen zeer vrijmoedig en zelfs brutaal. Deze weelde kunnen ze niet hebben omdat ze het niet gewend zijn geweest.’

In de praktijk bleek dat niet alleen de bevolking ongewenst gedrag vertoonde. Een inspecteur van de NOC sloeg in de zomer van 1943 alarm over de losbandigheid van zijn landgenoten in de Litouwse stad Vilnius. ‘Als er niet spoedig een krachtige persoonlijkheid komt, gaan onze Nederlandse jonge boeren hier zoal niet door de vrouwen, dan toch zeker door de wodka en samogon naar de haaien.’ Ook de

Duitsers stoorden zich regelmatig aan het gedrag van hun Germaanse broeders, die ze te ongedisciplineerd en ‘unsoldatisch’ vonden.

De Duitse leiding wilde dan ook niets weten van gelijkwaardigheid tussen de Nederlanders en Duitsers, zoals dat de pioniers beloofd was. De Nederlandse kolonisten waren ondergeschikt aan de Duitse bevelhebbers en stonden onder toezicht. Hun aanwezigheid in het oosten was, aldus Von Frijtag, ‘niet een Germaans recht, maar een Duitse gunst’.

De Nederlanders waren niet zo succesvol

Recht of gunst, de Nederlandse inspanningen in de bezette gebieden waren matig succesvol. Sommige bedrijven boekten fraaie resultaten, maar even vaak kwamen de werkzaamheden nauwelijks van de grond. De kosten die de NOC maakte, werden dan ook bij lange na niet terugverdiend. Na de oorlog werd berekend dat de compagnie de Nederlandse staat 18 miljoen gulden schuldig was.

Von Frijtag heeft met Hitlers broedervolk een informatief boek geschreven over de geschiedenis van de Nederlanders in de bezette oostgebieden. Ze besteedt relatief veel aandacht aan de bestuurlijke verwikkelingen rondom deze trek, en wat minder aan hetgeen de Nederlanders ter plaatse meemaakten. Dat is jammer. Uit de schat aan ontsloten informatie – brieven, verslagen, krantenartikelen – had ze best wat ruimhartiger mogen citeren.

De kern van haar betoog staat echter overeind: er bestaat een opvallende continuïteit tussen het Nederlandse koloniale verleden, de trek naar Oost-Europa én de naoorlogse emigratie van duizenden Nederlanders. Belangrijk verschil is natuurlijk de aard van het naziregime waaronder de NOC’ers zich schaarden. De kolonisten waren niet rechtstreeks betrokken bij de moord op miljoenen Joden in Oost-Europa, stelt Von Frijtag, maar ze profiteerden er wel volop van. ‘Germaanse broederschap was misschien lastig te realiseren in de bezette oostgebieden, maar de Nederlanders waren zonder meer broeders in de misdaad.’