Een man die ooit moeder was, zal niet snel doden

Arita Blokland (85) heeft vier kinderen en een geesteskind dat al haar aandacht vroeg. Een wereld met jonge vrouwen en met oudere mannen die vroeger vrouw waren, zou een veel betere wereld zijn. Dat is de theorie waaraan ze nog steeds werkt.

Foto Kees van de Veen

Eind vorig jaar kwam er een mail binnen van een lezeres, Arita Blokland. „Ik ben een vrouw van bijna 85”, schreef ze. „De tweede helft van mijn leven ben ik op zoek geweest naar waarom de mens handelt zoals hij handelt en dan vooral de mannelijke mens. Sinds de moord op de Joden in de Tweede Wereldoorlog heeft die vraag mij altijd beziggehouden. [...] Ik heb zelf geen contacten in de academische wereld. Daarom doe ik een beroep op u om het stuk waar ik de afgelopen jaren aan heb gewerkt, aandachtig en met een open geest te lezen.” Ze stuurde een bijlage mee van 26 pagina’s.

„Mijn kortetermijngeheugen laat me steeds vaker in de steek”, ging de mail verder, „en onlangs is vastgesteld dat ik lijd aan vasculaire dementie. Het is voor mij dan ook urgent om nu het nog kan, mijn inzicht aan u voor te leggen [...] zodat het niet verloren gaat.”

Mevrouw Blokland bleek jarenlang aan een theorie te hebben gewerkt die hierop neerkomt: er is iets misgegaan in de evolutie van de mens, met name in de scheiding der geslachten. Eigenlijk zou iedereen met een tweeslachtige aanleg geboren moeten worden, om zich in de puberteit tot vrouw te ontwikkelen en vervolgens in de overgang man te worden. Zo hád het kunnen gaan, volgens Blokland: er zijn nog restanten van die tweeslachtige aanleg, zoals de tepels van de man en de hormonale verstoring in de overgang bij de vrouw. Sommige soorten vissen beginnen ook hun leven als vrouwtjesvis en worden daarna man.

Een lipvis die van vrouwtjesvis in mannetjesvis verandert:

Wereld zonder overgangsklachten

En dit is de crux van Bloklands theorie: dat dat bij mensen niet zo gaat, is de bron van alle kwaad. Een wereld bevolkt met jonge vrouwen en met oudere mannen die vroeger vrouw waren, zou een veel betere wereld zijn. Zonder overgangsklachten (want die zijn volgens haar een residu van onze misgelopen sekseontwikkeling) en, het allerbelangrijkst: zonder de agressie die jonge mannen kenmerkt. Want een man die in zijn vorige levensfase moeder werd, zal niet zo snel een mens, iemands kind, doden.

We krijgen op de redactie wel vaker mails met theorieën van lezers. Maar het gebeurt niet vaak dat je bij zo’n theorie meteen een sciencefictionroman voor je ziet. Wat is er gebeurd in het leven van deze vrouw dat ze zó lang aan deze theorie heeft gewerkt en dat ze die wil doorgeven voor ze overlijdt?

Een tijdje later zit ik dus tegenover Arita Blokland thuis, in Heerenveen. Dochter Marianne van Kalmthout helpt haar bij het gesprek, want Blokland vergeet af en toe dat ze iets net al gezegd heeft. Dat het bezoek vooral koek moet nemen, bijvoorbeeld, niet die uit het trommeltje, die is van de supermarkt, maar die uit het zakje van de banketbakker. Terwijl ze praat, rookt Blokland continu dunne, voorgedraaide sjekkies. Of ik ook rook? Nee.

„Niet roken, geen suiker in de koffie, wat een kaal leven”, zegt Blokland. Ach, ik doe weer andere dingen, laat ik me ontvallen, en haar ogen lichten op. „Dat dacht ik al”, zegt ze. Flirten kan ze nog uitstekend.

 

Dan vertelt ze hoe ze tot haar theorie kwam. Met af en toe wat uitstapjes naar andere autobiografische verhalen tussendoor, zoals toen de kapper haar op haar vijfde ineens meisjesachtig knipte terwijl zij een jongetje wilde zijn. „Ik werd gewoon ontmand!”

Maar goed, haar theorie. De aanleiding. Ze was een jaar of 28, 29, vertelt ze, en ze ging in haar eentje naar de film Nacht und Nebel , een veelgeprezen korte documentaire van Alain Resnais over de gruwelen van Auschwitz (kijk hier deel 1 en deel 2). „In de oorlog hoorde je de grote mensen weleens fluisteren: ‘Die is ook weggehaald.’ Maar je wist niet waarheen. Later hoorde je dat die allemaal vergast waren. Ik wilde zelf zien wat er gebeurd was.” En dat zag ze: „Soldaten die zeulen met lijken, stapels lijken, allemaal naakt... Het greep me zó aan. In de laatste scène zag je een dode vrouw met lang haar uitgemergeld weggedragen worden door een soldaat. Die vrouw is een soort symbool voor me geworden, ze is altijd bij me gebleven. Ik zie haar nog elke dag.”

Ik heb God afgeschaft

Na de film ging Blokland op een bankje zitten nadenken. Hoe kón dit gebeuren. Het absolute kwaad. Mensen hadden dit gedaan. „De vrouw uit de film zat naast me, voor mijn gevoel, en ik zei tegen haar: ik ga voor je uitzoeken hoe dit kon gebeuren. En toen ik me dat had voorgenomen, zakte dat gevoel van hopeloosheid. Dat uitzoeken heeft me daarna altijd beziggehouden. Het was het belangrijkste in mijn leven. Op mijn kinderen na, waar ik heel blij mee ben...” Weer even die glimmende ogen: „...tot nu toe. Ja, je moet altijd een slag om de arm houden, hè.”

Maar over haar voornemen, haar „opdracht”, is ze heel serieus. „Ik heb ook gelijk God weer afgeschaft, daar op dat bankje... Ik hoop niet dat je godsdienstig bent, ik wil je niet kwetsen.” Het was niet de eerste keer dat ze God afschafte. „Na de oorlog, toen alles vergeten moest worden, kwam thuis de dominee langs. Hij zag er goed uit, dik; wij waren mager. Ik vroeg naar de oorlog, waarom had God dat gedaan, Hij is toch almachtig? De dominee zei: uiteindelijk is alles tot Gods eer. Toen werd ik toch kwaad, ik zei: met zo’n God wil ik niets te maken hebben!” Ze werd van catechisatie gestuurd.

Maar ach, zegt ze, anders was ze het geloof wel kwijtgeraakt toen ze op haar zeventiende in de psychiatrie ging werken. Ze ziet nog zo een Schevenings vrouwtje voor zich, die haar man en zoon op zee was verloren en hun namen bleef roepen. „Ik heb Kniertje al gezien voor het op tv kwam. Ik was daar eigenlijk te jong voor.”

Later ging ze in een gewoon ziekenhuis als verpleegster werken. Daar ontmoette ze haar man, die ze nog van school kende; ze wilde kinderen en vond hem wel geschikt als vader. „Hij was een teerhartig mens.”

De avond dat ze thuiskwam van Nacht und Nebel vroeg hij of hij de film ook moest zien. „Ik zei: nee, dat moet je maar niet doen.” Ook na hun scheiding (van tafel en bed), op haar 53ste, bleven ze vrienden; hij overleed zo’n twintig jaar geleden. „Hij was intelligent, gevoelig en aardig. Hij was technisch tekenaar, hij ontwierp ophaalbruggen, en haalde zo het geld binnen terwijl ik aan mijn theorie kon werken.”

Op krankzinnigen passen

Liever was Blokland gaan studeren, net als bijvoorbeeld Joke Smit, die ze in de jaren zeventig ontmoette toen ze actief werd in de feministische beweging Man Vrouw Maatschappij. Maar ja. „De bovenmeester ging wel naar de ouders van de jongens toe, dat die moesten studeren, maar niet naar de ouders van de meisjes. Terwijl ik het beste rapport van de klas had.” Enigszins grimmig: „Maar goed, dat doet er nu niet meer toe. Ik heb geleerd om op krankzinnigen te passen en om mensen te wassen.”

En thuis deed Blokland haar onderzoek. Ze was altijd alert op nieuwe informatie om haar theorie mee bij te vijlen, variërend van boeken van Piet Vroon en Thomas Kuhn, tot artikelen uit Science, National Geographic en de wetenschapspagina’s van NRC. Ze laat een houten bak in haar woonkamer zien, vol met alles wat ze verzamelde. „Het was een barre tocht. Maar het is alsof je altijd ontvankelijk bent; je aandacht valt steeds op wat je hebben moet.”

En toen kwam ineens die diagnose: dementie. „Ja”, zegt Blokland, „straks ben ik weg en ik moet het nog doorgeven. Het is een geesteskind, dat moet je ook goed onderbrengen, net als je kinderen. Ik ben bezorgd voor de wereld, de toekomst, alle mensen die nog leven. Die oorlog nu, dat is krankzinnig. Ze zeggen dat we ISIS bombarderen, maar die zitten tussen de andere mensen in. Het is helemaal verkeerd.”

Wat moet er nu gebeuren met haar theorie, wat wil ze? „Dat er in die richting een vervolgonderzoek komt van de mensen die ervoor doorgeleerd hebben. Als mijn theorie klopt, als dit de bron van het kwaad is, dan had het anders moeten lopen.” Maar de evolutie is toch niet meer te veranderen? „Nee, maar we kunnen ons gedrag wel veranderen, als we er inzicht in hebben.”

Dan, tegen haar dochter: „Ik heb niet altijd genoeg voor jullie gezorgd. Geestelijk was ik elders.”

„Ja, dat heb ik wel gemerkt”, zegt Van Kalmthout rustig. „Je was druk met andere dingen. Maar in elk gezin is wel wat.”