Column

Zielig

Je kon de afgelopen dagen beter Rus zijn op de Krim dan in Thialf. De (onthoofde) Russische schaatsploeg werd als een donkere vlek in het ijs gemeden. Weg met de Russen, was de lichaamstaal van rijders en begeleiders. Wat deden zij eigenlijk nog op de wereldbekerfinale in Heerenveen?

Sporters zijn internationaal van pretentie, maar draaien hun hand niet om voor etnische zuivering. Zo was de Amerikaanse atletiek jarenlang getekend door racisme, zo is het nu in het schaatsen weer Koude Oorlog. „We hoeven je nooit meer te zien”, tweette de Noor Håvard Bøkko ter attentie van wereldkampioen Pavel Koelizjnikov. Eerder al had zijn Nederlandse concurrent Kjeld Nuis brandhout gemaakt van de op meldonium betrapte Russische tricheur. Nederlandse schaatsers zijn nog van de wrekende kerk.

Toen vijfvoudig olympisch kampioen Claudia Pechstein in 2009 op basis van verdachte bloedwaarden werd geschorst, wenste het Hollandse schaatsvolk haar meteen de hoogste boom in. Er was geen genade mogelijk. Claudia werd letterlijk uitgekotst. Hetzelfde lot overkomt sprinter Koelizjnikov. Het lijkt wel of de Sven Kramers van deze wereld bang zijn dat ze niet gehoord worden in hun afschuw en zich daarom in hun banbliksems overschreeuwen.

Zielig zijn sporters die zich laten betrappen op een halfslachtig dopingproduct. Zielig zijn sporters die vervolgens zichzelf als morele scherprechters presenteren. Schaatsers zijn boeren en dat ras is gevoelig voor het Hogere. Hun waarheden zijn ondeelbaar.

Allicht is het zuur een titel of medaille te zien ontnomen worden door een dopinggebruiker, maar er zijn nog malheuren in de sport. Er zijn voetballers die een finale missen door de onnozelheid van een ingegroeide teennagel. Ethiek en malheur verschijnen vaker als obstakel in sportcarrières. Zoals in het hele leven.

Dat Rusland een dopingprobleem heeft, is eerder gebleken in de atletiek. De meldoniumplaag die daar nu ook in andere sporten bovenop komt, doet de roep naar Russische uitsluiting van de Olympische Spelen in Rio aanzwellen. De vraag is: waar begint en eindigt de individuele verantwoordelijkheid van de topsporter. Anders dan in onze contreien worden grote prestaties in wetenschap, cultuur en sport in de Russische federatie linea recta in het teken van vlag en vaderland geplaatst. Ze zijn de vlam in het mede door volksaard en geschiedenis gesteven en bejubelde patriottisme.

De oorlogen die in de vorige eeuw werden uitgevochten tussen de geweldige ijshockeyteams van de Russen en de Amerikanen hadden in Moskou de gloed van revolutie. Er ligt een supplementaire druk op de prestaties van Russische atleten. Vladimir Poetin heeft die druk nog verhevigd. Als sport staatsbelang is, wat maakt een hap vuile snoep dan nog uit? De staat zelf is een riool.

De dopingval van Maria Sjarapova is dramatischer voor de sport dan het medische geknoei van een schaatssprinter en een shorttracker. Maria was een magneet voor het internationale tennis. Ze maakte furore met een haar grandslams, haar gekreun, haar gracieuze motoriek, haar lange mannequinbenen. Ik ken alleen maar mannen die verliefd waren op de marmeren hinde. En de meisjes droomden zich een Sjarapovagezichtje. Na de Argentijnse Gabriela Sabatini is Sjarapova de tweede tennisdiva die ook om haar schoonheid als wereldster werd bewonderd.

De collega’s houden de dolksteek op zak, spreken haar zelfs bemoedigend toe, behalve in Nederland. Hier is de guillotine alweer opgetuigd. Alle vergevingsgezindheid lijkt opgedroogd, alsof Donald Trump aan de polder een tweede vaderland heeft.

Rio heeft zijn dopingschaduw reeds vooruit gegooid. Als tientallen sporters geschorst worden voor een dubieus hartpilletje, meer cult dan drug, dan is een historische heksenjacht in aantocht.

Ook om Poetin te bezeren.