Van verlegen naar explosief, altijd bruisend van energie

Ze speelde nooit voor een buitenlandse club, maar won zilver op het WK. Een motorfetisjist die een webshop runt.

Een joint? Michelle Goos, dochter van een Amsterdamse coffeeshophouder, trekt een vies gezicht. Nooit behoefte aan gehad. De handbalinternational laat zich zelden in pa’s zaak zien. Te link. Cannabis staat op de dopinglijst. „Als ik die wietlucht inadem, kan het al misgaan.”

Nee, Michelle Goos heeft de combinatie topsport en coffeeshop nooit raar gevonden. De buitenwereld wel; in de kleedkamer wordt er wel over gegrapt. Zij weet niet beter. Pa verkocht al softdrugs toen Michelle 26 jaar geleden werd geboren. Ze heeft er geen moreel oordeel over. De handbalster ziet het als business. Ze heeft ook nooit boven de coffeeshop van pa gewoond. Haar ouderlijk huis staat in het landelijke Oostzaan, waar de lucht nauwelijks wordt verzuurd door blowers.

En dat een coffeeshop snel wordt gelinkt aan criminaliteit? Michelle Goos haalt de schouders op. Het zal wel. Haar vader heeft in haar ogen een keurige zaak en is een eerbiedwaardige man, die jarenlang voorzitter is geweest van de brancheorganisatie BCD (Bond van Cannabisdetaillisten), een functie waarin hij – tot nu toe vergeefs – heeft gestreden voor legalisering van softdrugs. Van hem had zijn dochter best een jointje mogen proberen. „Hij zei: ‘Vraag het me dan en ik zorg dat je een goeie krijgt.’ Maar ik heb het verlangen nooit gehad. Ik heb nooit een sigaret gerookt. En ik drink trouwens ook niet.”

Geef Michelle Goos een motor, daar heeft ze wel affiniteit mee. Wat heet, de handbalster rijdt zelf Harley-Davidson en is testrijdster voor het motorblad Bigtwin. Een sportvrouw van 60 kg die grote, stoere motoren test? Ze lacht. Er wordt vaker verbaasd gereageerd. Michelle Goos werd gevraagd nadat ze voor het blad was geïnterviewd over de combinatie handbal en motorrijden. De redactie zocht voor het groepje testrijders nog een vrouw. „Mijn eerste reactie was, dat ik dan in ‘zo’n pak’ over een circuit moet scheuren. Maar dat is niet het geval. Ik mag twee weken een nieuwe motor meenemen en schrijven wat ik ervan vind.”

Chinees prutsding

Dat is niet altijd tot ieders genoegen, want importeur Harley-Davidson Benelux is allesbehalve te spreken over haar review van de nieuwste versie van Harley, een lichte motor van 750cc. Iets snorfietsachtigs, oordeelde Michelle Goos. „Ik vind het geen Harley; die moet groot en massief zijn een veel geluid maken. Dit is een Chinees prutsding. Dat had ik zo opgeschreven. Nu denkt de importeur dat ik het merk niet mooi vind. Nou, dat hebben ze helemaal mis. Ik rijd zelf Harley.”

Naast handbal is motorrijden haar tweede passie. Ze is erfelijk belast, want pa en ma rijden beiden Harley. Maar heeft Michelle Goos daadwerkelijk verstand van motoren? Aanvankelijk niet zo, zeker niet van de techniek. „Nu weet ik waarop ik moet letten”, zegt ze. „Ik heb twee a4’tjes met punten die ik afwerk, van koppeling tot koplamp en van zadel tot wel of niet weggewerkte bedrading. Ik heb pas een Indian getest. Wat een lelijk ding, zeg, met een Indianenhoofd voorop en franje aan het stuur. Moest ik daarmee de weg op? Ik schaamde me dood. Nou, ik heb erop gereden en zeg nu: wat een topding. Ik ben helemaal verkocht.”

Bezig baasje die Michelle Goos. Ze kan niet stilzitten, zegt ze. Ze bruist van de energie. Want naast het handballen en het testen van motoren runt ze, samen met een neef, ook nog een webshop goosfashion in speciale kleding, zoals gothic en streetstyle , voornamelijk voor mannen. „Want die winkelen niet graag”, weet Michelle Goos. „Ik heb vaste klanten die zeggen: ‘Hier heb je vijftig euro, doe effe een outfitje.’ Of ze sturen een foto met voorbeelden. We zijn nu een jaar bezig en het gaat hartstikke goed. ’t Liefst had ik een kledingwinkel in Amsterdam, maar dat kan ik niet combineren met handballen. Dit is een mooi alternatief.”

Amsterdam niet loslaten

Vanaf haar praatstoel, in een hippe horecagelegenheid aan het IJ, wijst Michelle Goos op Amsterdam, de stad die ze zo lief heeft, de stad waar ze vanaf haar vierde bij VOC handbalt, maar vooral de stad die ze niet wil loslaten. Maar ja, wat moet een handbalster met internationale ambities nog in Nederland? Te klein voor een internationale carrière is de heersende opvatting. Niet voor Michelle Goos, bewijst ze al vier jaar. Want zo lang maakt de linkerhoekspeelster deel uit van het Nederlands team, dat in december spectaculair tweede werd op het WK. Met in de basis Michelle Goos, die in tegenstelling tot al haar collega-internationals, nooit één seconde voor een buitenlandse club heeft gespeeld.

Kwamen er nooit aanbiedingen? Genoeg, maar Michelle Goos hield altijd de boot af. Omdat ze niet weg wilde bij haar familie. En uit vrees dat ze het in een ander land niet haar zin zou hebben. „Ik ben een gevoelsmens”, zegt ze. „Als ik me niet goed voel, kan ik ineens niet meer handballen. Dat is bij mij extreem. Nu ik wat ouder ben, is dat gevoel minder heftig en overweeg ik de stap naar het buitenland. Maar alleen naar een land waar ik me thuis voel. Zeker geen Oost-Europa, dat lijkt me helemaal niks. Duitsland ook niet. Ja, om te handballen, niet om te wonen. Frankrijk? Lastig. Misschien Denemarken, dat lijkt op Nederland en is niet zo ver weg. Maar ’t liefst ga ik naar Spanje. Mijn ouders hebben in de buurt van Barcelona een tweede huis en daar ben ik op mijn gemak. En pa en ma kunnen dan ook makkelijker wedstrijden bezoeken.”

Michelle Goos heeft haar manager René Cloo met een wensenlijst van twee a4’tjes op pad gestuurd. Ze wacht geduldig af. De kans dat ze verkast? Fiftyfifty, schat ze. „Maar let wel: het is geen harde verplichting. Ik heb bewezen dat ik het buitenland niet nodig heb om succesvol te zijn. Net bij het Nederlands team had ik dat gevoel wel heel sterk. Toen had ik het idee dat ik moest, terwijl ik helemaal niet wilde. Altijd gebruikte ik mijn studie als excuus. Ik moet mijn diploma halen, was steeds mijn argument. Maar nu heb ik drie diploma’s en zit ik nog steeds hier.”

Sensibiliteit

Bondscoach Henk Groener herkende al vroeg de sensibiliteit van Michelle Goos. Hij bracht haar in contact met sportpsychologe Edith Rozendaal, die haar van veel onzekerheden afhielp. De handbalster: „Ik dacht voorheen heel sterk: ze vinden me niet aardig, ze vinden me niet goed genoeg, en dan in extremis. Ik was er van overtuigd dat de buitenwereld net zo negatief om mij dacht ik dan ikzelf. Nu besef ik dat ik onmogelijk kan weten wat mensen denken. En als ik het wil weten, dat ik het moet vragen. Het kostte me veel moeite die stap te maken. Maar na een aantal keren helemaal niet meer. Eigenlijk vreemd die karaktertrek, want mijn vader en moeder zijn helemaal niet zo. Echte Amsterdammers, die plat gezegd overal schijt aan hebben. Zij snappen ook niet waar het vandaan komt.”

Nou Michelle wel. Het is een eigenschap, maar haar schuwheid is gestimuleerd door het vele pesten op de middelbare school. Na een zorgeloze basisschooltijd in Oostzaan – „ik wist niet beter of iedereen was lief en beleefd” – belandde ze op een zwarte school, het Calandlyceum in Osdorp, een LOOT-school, speciaal bestemd voor sporters. Maar de hel voor Michelle Goos, die werd uitgescholden, vooral door jongens, dat ze dun en lelijk was, een boerentrien met bolle ogen was, een jongen of een meisje was en aan anorexia leed. De handbalster: „Als dat maar vaak genoeg tegen een twaalfjarige wordt gezegd, gaat ze er vanzelf in geloven.”

Op een goed moment zat het Michelle Goos zo hoog – ze houdt haar hand op ooghoogte – dat ze explodeerde en een stoel naar iemands hoofd gooide. „Terwijl ik helemaal niet agressief ben”, verbaast ze zich met terugwerkende kracht over die uitbarsting. „Maar dat kwam ook omdat leerkrachten niet optraden, terwijl ik sterk de indruk had dat zij van het pesten wisten.”

Sinds Michelle Goos een succesvol bestaan heeft opgebouwd hunkert ze naar een reünie van haar middelbare school. Om van die pestkoppen te horen wat zij al dan niet bereikt hebben. Maar vooral om hun te vertellen dat Michelle Goos goed is terechtgekomen. Zichtbaar getergd: „Wie komt op televisie? Ik. Wie heeft een webshop? Ik. Wie speelt al dertien jaar eredivisie? Ik. Wie speelt er in het Nederlands team? Ik. Wie heeft een zilveren WK-medaille? Ik.”

Waarna haar schaterende lach vele tafels verder galmt.