Van Hyves naar de totale polarisatie

Nederland is de afgelopen tien jaar geradicaliseerd. En de politiek heeft dat tot nu toe vrij goed opgevangen. De polder als pacificatiemodel kan overleven, weet Folkert Jensma.

AMSTERDAM, 29 september 2006 - Ayaan Hirsi Ali tijdens de presentatie van haar autobiografie Mijn Vrijheid. Foto Ed Oudenaarden/ANP

Eerst maar even de trivia. In 2006 voorzagen we niet dat er bij gebrek aan gedetineerden in 2016 twee complete Nederlandse gevangenissen aan België en Noorwegen zouden zijn verhuurd. En dat één leegstaande gevangenis uit de mottenballen is gehaald als noodopvang voor vluchtelingen. Dat het aantal euthanasiegevallen in tien jaar zou verdubbelen. Dat de Partij voor de Dieren met twee zetels in het parlement zou komen. En dat de daling van criminaliteit de afgelopen tien jaar zou doorzetten, inmiddels met 20 procent.

In 2006 viel Balkenende-II over de toen hoogst belangrijke vraag of de naturalisatie van het Kamerlid Hirsi Ali (VVD), een voormalig Somalische vluchtelinge, in 1995 rechtmatig was geweest. De vraag was aangekaart door het tv-programma Zembla. Defensie ging dat jaar op ‘opbouwmissie’ in Uruzgan, Afghanistan, en die missie zou tot 2010 duren.

De knuffelallochtoon van 2006 was de Servische vwo-scholiere Taïda Pasic. Zij werd in haar eindexamenjaar in vreemdelingenbewaring gezet en uitgewezen, onder verantwoordelijkheid van VVD-minister Verdonk. Die zelf een jaar later haar partij zou worden uitgezet en politiek voor zichzelf zou beginnen, met weinig succes. Pasic prijkte dat jaar overigens op de cover van het zogenoemde nulnummer van nrc.next, een editie waarmee de lezers- en advertentiemarkt werd getest. De eerste nrc.next verscheen op 14 maart.

Hyves was nog populair
Dat in 2006 ook Twitter werd opgericht, ontdekten we pas in 2007. Het eerste stukje over dit ‘microblog’ verscheen in maart in de krant. Facebook mocht in 2006 voor het eerst ook door niet-studenten worden gebruikt. MySpace en het Nederlandse Hyves waren in 2006 de populaire sociale netwerksites. Premier Balkenende werd er lid van, net als PvdA-leider Wouter Bos.

In 2006 ging het Kamerlid Geert Wilders, dat zich twee jaar eerder had afgescheiden van de VVD, bij de Kamerverkiezingen voor het eerst verder als PVV. Wilders behaalde, met zijn medewerker Martin Bosma, in één keer negen zetels. Met dit duo begon het rechts-radicale anti-moslimgeluid aan een opmars die tot op vandaag aanhoudt. In de peilingen staat de PVV nu op 33 zetels; 22 procent van de bevolking zou vandaag PVV willen stemmen.

De vrees voor terreur zat er in 2006 diep in. In 2004 was Theo van Gogh op straat door een moslimterrorist op rituele wijze vermoord. In datzelfde jaar bliezen terroristen forensentreinen in Madrid op, met 191 doden tot gevolg. Een jaar later, in 2005, ontploften bommen in de Londense metro en in bussen: 56 doden. Osama bin Laden, verantwoordelijk voor 9/11 in de Verenigde Staten, zou nog vijf jaar spoorloos blijven. IS bestond nog niet.

Het recht om te beledigen
Maar 2006 was vooral het jaar van de cartoonrel. De Deense krant Jyllands Posten publiceerde eind 2005 twaalf opzettelijk provocerende cartoons over de profeet Mohammed. Met enige vertraging zorgde dat voor een golf van woede in de islamitische wereld.

De Deense krant wilde met opzet een islamitisch taboe schenden om Westerse zelfcensuur aan de kaak te stellen en meer ruimte te scheppen voor satire, in het bijzonder over de islam. Het resultaat overtrof de stoutste verwachtingen – bij woedende demonstraties kwamen in Nigeria honderd mensen om het leven. Op een van de Deense tekenaars werd een moordaanslag gepleegd, die mislukte. Deense producten in de moslimwereld werden geboycot; Saoedi-Arabië begon een handelsboycot tegen Denemarken.

In Nederland bepleitte Hirsi Ali intussen een „recht om te beledigen”, al was dat „binnen de beperkingen van de wet”. Wie zich gevoelig toonde voor de gekwetste gevoelens van moslims en daarom de Deense cartoons uit respect niet wilden (her)publiceren, verweet ze „geestelijke mediocriteit” en lafheid. Ze werd door koningin Beatrix in haar kersttoespraak tegengesproken. Zoiets bestaat niet, sprak de koningin, een recht om te beledigen. Net zo min overigens als „godsdienstvrijheid een vrijbrief geeft om te kwetsen of op te roepen tot haat”.

De cartoonrel bleek een snoeiharde botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Waarbij de centrale vraag was of iedereen altijd en overal álles moet kunnen zeggen. Behalve de wettelijke grenzen aan de uitingsvrijheid (smaad, laster) bestond er volgens het staatshoofd ook nog zoiets als „normen van moraal en beschaving”. Die vormen „het fundament van een samenleving die uitgaat van eerbied voor de medemens”. We dienen bewust te zijn van gevoeligheden in elkaar, vond zij. Wie een ander beschimpt, verliest zijn geloofwaardigheid; „het onbeheerste woord schiet zijn doel voorbij”.

Hirsi Ali was echter bezig met een strijd tegen het islamisme, tegen de tirannie van Mohammed – zij sprak als dissident afkomstig uit de moslimwereld over „een conflict van ideeën dat grenzen en rassen overstijgt” en was daarin compromisloos.

'Het rauwste, het platste racisme'
Is met de cartoonrel de ontremming van het publieke debat begonnen? Het lijkt er wel op. In 2006 moesten Twitter en Facebook nog op gang komen. GeenStijl bestond al wel, PowNed nog niet. Zij kleurden in de jaren erna het medialandschap met sterk eenzijdige, provocerende actiejournalistiek. Waaruit tenslotte zelfs dit jaar Oekraïne referendum voortkwam.

De totale polarisatie, waarin burgers op internet hun eigen volkomen gelijk beleven, uitsluitend aangepaste informatie tot zich nemen en de ander daarna onbekommerd de huid vol schelden, had het publieke domein nog niet in zijn greep. Althans niet in die mate. Maar het zat al wel in de lucht.

„Er is een ware polarisatie in voorbereiding”, schreef H.J.A. Hofland op 30 december 2006 in NRC Handelsblad. Hij legde de oorzaak rechtstreeks bij de erfgenamen van Pim Fortuyn. Weliswaar slechtte Fortuyn het taboe op de islam door die godsdienst in de Volkskrant „achterlijk” te noemen, maar tegelijk heeft Fortuyn, volgens Hofland „zonder het te bedoelen”, de „discriminatie, de praktische apartheid, zelfs de rassenhaat geëmancipeerd. Zo hoort hij tot de ontwerpers van de nieuwe politieke kaart van Nederland”. Hofland vervolgt: Discriminatie „is een nationaal verschijnsel geworden”. En op internet grijnst het „het rauwste, het platste racisme je tegemoet”.

De polder heeft het in 2006 definitief verloren van de radicalen, meende Hofland. Het coalitiemodel, gebaseerd op compromis en tactisch geven en nemen, liep ten einde. De flanken zouden winnen; de SP steeg dat jaar met 16 zetels naar 25, maar zakte later terug naar 15; de PVV begon met 9, steeg naar 24 en zakte later ook naar 15.

Verdonk uit de partij, Taïda advocaat
Het eerste kabinet Rutte (VVD-CDA) probeerde de PVV uit als regeringspartner met een ‘gedoogakkoord’, maar dat mislukte toen de PVV niet wilde bezuinigen. Daarna sloten VVD en PvdA onverwacht een regeringsakkoord – juist een coalitie van historische tegenstanders. Op de flanken blijft het sindsdien onrustig: de anti-moslim retoriek van de PVV is verbreed naar migranten, minderheden en het ‘monster Brussel’.

Wat betekent dit voor 2026? De politiek heeft de radicalisering tot nu toe vrij goed opgevangen. Er is wel veel ketelmuziek op de flanken, maar in het midden wordt geregeerd – en ook nog tamelijk stabiel. Als de kiezer z’n onzekerheid en zenuwen weet te bedwingen en dat beloont, hoeven er geen ongelukken te gebeuren. De polder als pacificatiemodel kan overleven.

Wat we met het oprukkende racisme en xenofobie de komende tien jaar gaan doen, is nog wel een ‘dingetje’. De omgangsvormen, of het nu in de politiek is of in de publieke (media)ruimte, hollen achteruit.

Blijven we in beginsel tolerant, ruimdenkend en open tegenover andere religies, rassen en groepen? Of is dat voorbij? Taïda Pasic deed later in 2006 eindexamen op de Nederlandse ambassade in Sarajevo. Ze werd toegelaten tot de Leidse Universiteit. Nu, in 2016, werkt ze als advocaat voor een groot Nederlands kantoor, in New York. Daar heb ik dus plezier in. Een klein, economisch afhankelijk land in een héle grote wereld kan zich geen gesloten blik permitteren.