Zaken waarin moord bewezen is verklaard worden door rechter in hoger beroep nu vaker afgezwakt tot doodslag

Plegers van een levensdelict worden voor hetzelfde feit sinds enkele jaren vaker veroordeeld voor doodslag dan voor moord. In 2013 zijn de voorwaarden voor bewijzen van moord aangescherpt. Sindsdien hebben rechters bijna 40 procent van de zaken waarin moord bewezen was verklaard, in hoger beroep afgezwakt tot doodslag.

Dat scheelt flink in de straf, blijkt uit onderzoek van NRC naar ruim honderd moord- en doodslagzaken tussen 2011 en 2013 die door de rechtbank en in hoger beroep door het hof zijn behandeld. Voor moord, waarbij ‘voorbedachte rade’ is vereist, is levenslang mogelijk. Voor doodslag, een handeling ‘in opwelling’, maximaal vijftien jaar. Gemiddeld kregen daders uit het onderzoek ruim veertien jaar voor moord, in hoger beroep was dat nog geen tien jaar voor doodslag.

Dat rechters in hoger beroep moord en doodslag lichter bestraffen heeft vele oorzaken (andere beoordeling feiten, toerekeningsvatbaarheid). Ook de aanscherping van de eis voor een bewezen ‘moord’ blijkt dus een belangrijke rol te spelen. Van moord was sprake als een verdachte tijd en gelegenheid had gehad om na te denken – enkele seconden waren genoeg. In 2013 stelde de Hoge Raad dat voortaan moest vaststaan dat een dader ook van die tijd en gelegenheid gebruik had gemaakt. Alleen dan is ‘voorbedachte rade’ bewezen, anders is het doodslag.

Kamerlid Foort van Oosten (VVD) stelt voor de maximumstraf voor doodslag te verhogen. Hij noemt het „zorgelijk” dat daders nu lichtere straffen krijgen omdat de rechter afdaalt van moord naar doodslag. De Groningse universitair docent Rick Robroek ziet wel wat in dat voorstel. „Doodslag omvat door de nieuwe eisen zwaardere gevallen dan voorheen. ” Volgens advocaat Yehudi Moszkowicz toont het arrest uit 2013 juist hoe belangrijk onderscheid tussen moord en doodslag is. „Als je de maximumstraf voor doodslag gaat verhogen wordt dat verschil effectief kleiner.”