Niemand is thuis in een pretpark

Schrijver en dichter Willem van Toorn hecht het grootste belang aan het landschap. Zolang een mens een landschap begrijpt kan hij zich er thuis in voelen. „In plaats daarvan gaan we onzin-natuur maken. En ons ‘eigen’ landschap vernielen we.”

Het landschap rond Hoofddorp. Foto’s Theo Baart uit zijn boek ‘Werklust. Biografie van een gebruikslandschap’ (2015)

Hoe kwetsbaar een landschap is waar je je goed in voelt, dat besefte Willem van Toorn voor het eerst écht toen hij begin jaren tachtig op een avond met zijn toenmalige vrouw buiten op het erf van hun boerderij bij Hoofddorp stond te kijken. „Wat rust die maan daar mooi op de horizon”, zeiden ze tegen elkaar. Maar er was iets met die maan. Hij bleef daar zo raar fel rusten. Hij steeg niet zilverig op.

Hij was geen maan.

Hij was bouwlicht, van de naderbij grommende dorpsuitbreiding van Hoofddorp, een uitbreiding die zich langzaam maar zeker in de jaren daarna uitrolde over akkers, weilanden, boerenerven, sloten, wegen, hekken, over heel dat boerenleven dat daar in eeuwen allerlei kleine sporen had nagelaten.

Leven dat hier bestond

behoudt een aanwezigheid

waardiger dan wat nu lijkt

zo tastbaar te zijn. (-)

Landschappen veranderen, zo is dat altijd geweest. Dat is ook niet erg, zegt Van Toorn: „Daar zijn het landschappen voor. Gemaakt en gebruikt door mensen.” Het is wat anders als alles in één keer weggevaagd wordt. „Dat betekent dat alle verhalen van de mensen die daar gewoond hebben, boeren, boerenarbeiders, dorpelingen, verdwijnen in een volledig abstracte wereld. Als een landschap een gegroeide harmonie heeft blijft het begrijpelijk. Ik wilde toen niet lang meer in de Haarlemmermeer blijven. In zo’n snel gemaakte wereld, kijk je voortdurend uit op de tamelijk banale ideeën van degenen die die wereld voor je bedacht hebben.”

Het landschap is altijd een belangrijk onderwerp geweest in het werk en het leven van schrijver, dichter en essayist Willem van Toorn (1935). Hij schreef dichtbundels die titels dragen als Het landleven, Een kraai bij Siena of Eiland. In zijn roman De rivier (1999) spelen de voorgenomen dijkverzwaringen in het rivierenlandschap een grote rol – iets waar hij zich, samen met een groepje anderen, met hand en tand tegen verzette. Een paar jaar geleden verscheen Het grote landschapsboek (2011) en onlangs publiceerde hij Zolang deze heuvels van aarde zijn, een titel ontleend aan de Italiaanse schrijver Cesare Pavese. Het is een verzameling essays over landschappen, vooral die van schrijvers.

Landschap is niet zomaar een decor. Van Toorns nieuwe boek opent met deze zin: „Het landschap waarin een mens zijn leven doorbrengt is een van de meest fundamentele elementen die de waarde en de waardigheid van zijn leven bepalen, direct na de allereerste levensbehoeften (…). Een landschap bestaat voor zijn bewoners behalve uit zijn fysieke kenmerken uit een ongelooflijk complex weefsel van ervaringen, herinneringen, sporen, verhalen, kennis, tekens die hij nodig heeft om zijn weg erin te vinden, nieuwe ontdekkingen een plaats te geven, zijn keuzes voor de toekomst te kunnen funderen op lessen uit het verleden.”

Zijn belangstelling voor het landschap werd al vroeg gewekt, waarschijnlijk, denkt hij, omdat hij met zijn ouders zo vaak vanuit Amsterdam naar de Betuwe ging, waar ze vandaan kwamen en waar de familie nog woonde. Zowel het stadse landschap als het rivierenlandschap vielen hem daardoor op. Tegenwoordig woont hij in Frankrijk, in de Berry, maar hij komt nog regelmatig in Amsterdam.

Oostvaardersplassen

Ik vertel dat ik op weg naar het interview door de lege grijze steppen van de Oostvaardersplassen ben gekomen. Hij lacht.

„Laten we gewoon inzien dat Nederland een in de loop der eeuwen prachtig ingericht parklandschap is. Onderhoud dat, geef boeren daar een functie in en jaag die mensen niet op met subsidies om groot te worden. Geef ze subsidies om klein te blijven en behoed dat ongelooflijk interessante cultuurlandschap.

„In plaats daarvan gaan we onzin-natuur maken. Je hebt er geen relatie mee, je kunt er niet in. En ons ‘eigen’ landschap vernielen we.”

Steeds weer legt Van Toorn uit dat een landschap niet hetzelfde is als natuur. Het landschap is het geheel van gebouwde, gegroeide en gemaakte elementen, van huizen, bruggen, sloten, kaderanden, rivierdalen, akkers, stadsranden en dergelijke. Natuur is natuur. Ontstaan. Al wordt in Nederland ook veel natuur gemaakt. Niet iets waar Van Toorn erg enthousiast over is. In Het grote landschapsboek schrijft hij: „Het is overigens eeuwen geleden dat Nederland het soort natuur vertoonde waar de nieuwe natuurmakers zo dol op zijn. En al die eeuwen heeft de bevolking zich uit de naad gewerkt om het land droger en veiliger te maken (-) maar nu gaan we op zoveel mogelijk plaatsen terug naar een ‘natuur’ van voor de Romeinse tijd.”

Wie een boerenlandschap uitwist, compenseert dat niet door elders wat ‘natuur’ te creëren, vindt hij. Hij vertelt over de hoge ambtenaar van Rijkswaterstaat die ten tijde van de strijd tegen de grote dijkverzwaringen tegen hem en kunstenaar Willem den Ouden uitriep: „Maar heren, vertelt u mij nu eens, wat is er zo móói aan dit landschap.”

Van Toorn: „Hij zag het niet. Daar zitten duidelijk leesbare Romeinse sporen in het landschap, Noormannenverhalen, een wereld van kasteeltjes – ja wat is er nou zo mooi aan. Hij wilde gewoon die dijkhuisjes afbreken, de uiterwaarden met hun rommelige natuur gladstrijken. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat mevrouw Smit-Kroes zei: ‘Heren, het is hier geen openluchtmuseum.’ Het is de essentie van dat denken: als het oud is, dan moet het mooi zijn en dan is het museum, en verder is het tabula rasa en kun je maken wat je wilt.

„Dáár ben ik me bewust geworden van de gevolgen van het vrijemarktdenken. Voor die mensen is het allemaal macht en koopwaar.”

U heeft het vaak over sporen van vroegere bewoning en vroeger gebruik in een landschap. Heeft u zelf sporen in het landschap nagelaten?

„Heel sterk meen ik dat ik sporen heb nagelaten in het rivierenlandschap. Als die plannen destijds waren doorgegaan dan zou je nu een landschap hebben met rechte dijken ongeveer van de zee tot Nijmegen, alle markeringen in dat landschap zouden verdwenen zijn, alle dijkhuisjes zouden afgebroken zijn. Dus als ik daar rond rij dan zie ik wat ik, en ik niet alleen natuurlijk, gedaan heb.

„Maar ik zie het ook op heel kleine schaal: daar in Frankrijk daar heb ik honderden keren hetzelfde weggetje gelopen, eens wat geplukt, mistletoe uit de bomen gesneden. Dus kleine sporen heb ik daar zeker achtergelaten. Alleen al door het feit dat ik er woon.”

Tussen wolken en aarde de tekens:

dit waren wij, zijn wij. Kijk maar,

wij graven land uit het water,

stapelen stenen tot torens,

onze blik laat geen ruimte met rust.

Is de kracht van een landschap niet ook dat het kan aanspreken zonder dat je er iets van weet? Mensen lopen onwetend door Amsterdam en vinden het mooi.

„Ik denk dat iedereen wel voelt dat daar iets bijzonderders aan de hand is dan in een nieuwbouwwijk. Ik was laatst in het nieuwbouwproject bij Utrecht, Leidsche Rijn – alleen al de onzin van die ch! Ik vroeg aan verschillende mensen waar we waren. Sommigen zeiden ‘Vleuten’ anderen ‘Utrecht’. Everybody knows this is nowhere, om met de grote dichter Neil Young te spreken. Steden zijn niet voor niets zo in trek. Maar je kunt het stedelijk landschap ook verpesten.”

Gebeurt dat in Amsterdam?

„De stad zou trotser moeten zijn op zichzelf en zijn waarde. Amsterdam heeft al decennia lang gemikt op goedkoop rugzaktoerisme, en er wordt weinig gedaan voor de bewóners van de stad. Ik vergeet nooit mijn vriend die op de Prinsengracht woonde en daar helemaal gek werd van de almaar toenemende herrie van steeds meer cafés waarvoor vergunning werd verleend. Hij tekende protest aan en op de hoorzitting daarover zei zo’n horeca-ondernemer: „Nou dan moet die meneer niet in de stad gaan wonen.” Die meneer woont z’n hele leven al in de stad! Die man met z’n café is erbij gekomen en dan moet de bewoner weg omdat die man herrie moet kunnen maken!

„Ik vind niet dat de stad altijd maar leuk en lawaaiig en vol festivals en dansfestijnen hoeft te zijn.”

Bent u naar Frankrijk gegaan omdat u echt daar wilde wonen of uit onvrede met Amsterdam?

„Uit positieve overwegingen: we konden daar midden in de mooie Berry een huis kopen met een stuk land waar je in Nederland een vermogen voor zou moeten betalen. Ik schrijf dat George Sand, die daar in de buurt woonde, het landschap nog steeds zou herkennen. Dat is echt zo. Het is een bewoond cultuurgebied, dat natuurlijk niet stilstaat, maar er zit een structuur in die je nog kunt lezen en begrijpen. Ik vind het een heel mooi landschap en wens dat het in godsnaam maar onaangetast mag blijven.”

En is het ook úw landschap?

„We hebben dat huis nu een jaar of twintig en ik heb het idee dat ik dat landschap nu echt ken, beter dan de meeste Nederlandse landschappen, behalve de Betuwe en Amsterdam. Ja, ik heb het idee als ik daar loop dat het ook mijn landschap is.”

Voelt u zich daar net zo thuis als in Nederland?

„Nee, dat red je niet. Ik ken daar in Frankrijk veel mensen, mijn Frans is heel behoorlijk, maar ik ken niet al die duizenden nuances, kleine veranderingetjes in de taal, het spreken in afkortingen. Het huis en het landschap, daar ben ik in thuis, de taal en de cultuur nooit helemaal zoals ik dat hier zou zijn. Er gebeurt iedere dag toch weer iets dat ik verkeerd begrijp of waarvan ik besef: oei, fout.”

We praten over het gevoel van thuis-zijn, wat daar de ingrediënten voor zijn. Dat je het landschap kunt lezen, dat je het begrijpt, zegt Van Toorn. Hij heeft het gevoel dat veel landschap, en daarmee veel thuisgevoel, hem is afgenomen. Doordat de wereld, zeker in Nederland, steeds meer in een pretpark verandert, de banalisering van het landschap noemt hij dat.

In uw vorige bundel schreef u over het verlies van veel nabije mensen. Dat is ook een vorm van zich minder thuis voelen.

„Ja. Dat geeft je het gevoel dat je het meer op je eentje moet redden. Dat heeft met leeftijd te maken natuurlijk. Mensen horen ook bij je landschap, net als hun ontbreken daarin. Het zijn er eigenlijk al veel te veel. Dat maakt me wel oud.”

U eindigt een van die gedichten, over uw zuster: „Hier wordt het nooit meer zoals toen jij er was.”

„Dat geldt voor alles, aldoor. Als je 25 bent is dat besef nog niet zo sterk, maar als je zo oud bent als ik is dat onlosmakelijk onderdeel van je leven. Ik kijk daar af en toe bewust naar, dan is het denk ik makkelijker te verdragen. Zoals ik ook af en toe ga kijken in landschappen die ik verschrikkelijk lelijk ben gaan vinden, om te weten wat er gebeurt.”

De rechtse denker Thierry Baudet spreekt van ‘oikofobie’, ‘huisangst’. De politiek zegt hij, heeft niet genoeg oog voor het verlangen van de mens om thuis te zijn, geborgen te zijn.

„Daar ben ik het mee eens. Als je zegt dat mensen graag een plek hebben waar ze thuis zijn, waar ze zich goed voelen, dan wordt er al na vijf minuten gesproken over Blut und Boden, maar daar heeft het niets mee te maken. Je verloochent iets heel wezenlijks van mensen als je dat verlangen ontkent. Dat hele idee van de kosmopolitische mens is een ideologische leugen, zo zit de mens helemaal niet in elkaar. Misschien een heel kleine elite die over de wereld vliegt, maar gewone mensen die de kinderen naar school moeten brengen en hun brood moeten verdienen, zijn gebaat bij een goede plek om te wonen. En dan hoef je ook niet zo bang te zijn voor nieuwe mensen die er binnenkomen. Hoe meer je je thuis voelt, hoe minder paniekerig je raakt van nieuwkomers, dat kun je dan wel verwerken.”

Het zijn wel grote groepen. Dat is weer tegen het idee van geleidelijke verandering.

„We zetten ze nu in kampen bij elkaar. Dat is het domste wat je kunt doen. Als je de mensen in kleine eenheden verspreidt, zodat ze in de gemeenschap opgenomen kunnen worden, dan is het een ander verhaal.

„Ik heb ooit in een dorpje in de Peel gezien hoe een stijve man op een hoge fiets over een weggetje kwam fietsen met acht pikzwarte mannen achter zich aan, ook op de fiets. Dat is de burgemeester, zei mijn schoonmoeder, die leert zelf de Congolezen fietsen die hier zijn gekomen. Kijk, zo kan het ook. Dat lijkt misschien kinderachtig, maar dat is de wereld.”