Kunnen die economen het een keer eens zijn?

En bedankt. Precies nu de vraag steeds harder klinkt hoe wetenschappelijk economen zijn, wordt de onenigheid over een van de grootste economische experimenten ooit steeds groter. Ik heb het over het uiterst ruimhartige geldbeleid van de Europese Centrale Bank. Donderdag kondigde bankpresident Mario Draghi aan er nog een schep (met geld) bovenop te doen. De rente wordt nog lager, de ECB koopt nog meer obligaties op, banken worden beloond als ze veel kredieten verstrekken. Hatsa.

’s Avonds had Nout Wellink, tot 2011 baas van onze eigen centrale bank, er bij Nieuwsuur geen goed woord voor over. „De ECB gaat hier gewoon echt veel te ver.” Hoe bezorgd bent u op een schaal van 1 tot 10, vroeg presentator Twan Huys. „Een 9”, zei Wellink. Als het Draghi’s bedoeling was om de burger moed te geven, dan is dat in Nederland in elk geval mislukt. Na Wellink lieten ook politici en bewindspersonen zich negatief uit over het beleid.

Wat moeten u en ik hier mee? Volgens de ene gezaghebbende en ter zake kundige econoom (Draghi) is dit ruimhartige monetaire beleid hoogstnoodzakelijk en heeft het zijn succes bewezen. „We doen dit omdat het werkt, niet omdat het faalt.” Volgens de andere gezaghebbende en ter zake kundige econoom (Wellink) werkt het niet, is de diagnose verkeerd en maakt het spaarders onzeker en financiële markten wiebelig. „Dit is springen in een zwart gat.”

Wat weten economen nu eigenlijk als ze het hierover zo flagrant oneens zijn? „Economie is geen wetenschap”, hoor ik vaak mopperen. Nou ja, het oneens zijn is nog geen diskwalificatie voor een wetenschap. Dit geldbeleid van Draghi is uitzonderlijk en daarmee experimenteel. Dus is het niet gek dat economen bediscussiëren of het werkt, hoe het werkt en welke bijwerkingen er zijn. Voor veel van de antwoorden op deze vragen moeten we nog jaren geduld hebben.

Maar de onenigheid onder economen is wel een probleem als het doel niet is om wetenschappelijke overeenstemming te bereiken, als er vooral wereldbeelden clashen, als de onenigheid draait om opinie en ideologie en niet om waarheidsvinding op basis van feiten en analyse. Precies hierover is het afgelopen jaar een levendig debat onder economen losgebarsten. De Amerikaanse econoom Paul Romer leverde een vonk toen hij stelde dat teveel economen politiek bedrijven met een wetenschappelijk wiskundig sausje eroverheen. Het leidde tot allerhande gewetensvragen. Wetenschap streeft naar consensus, toch? Zijn wij het niet teveel oneens om wetenschappelijk te zijn? Liggen we niet teveel in schuttersputjes om de mensheid vooruit te helpen?

Daar komt nog bij dat de politieke kleur van invloed lijkt op de blik op de feiten. Vallen economen niet teveel uiteen in kampen die elk een specifiek politiek wereldbeeld hebben, vroeg The Economist onlangs. Uit enquêtes onder economen in Nederland en de Verenigde Staten blijkt dat hun politieke kleur van invloed is op hoe ze kijken naar economische effecten. Bijvoorbeeld: linkse economen stellen in empirisch onderzoek minder schade door belastingverhogingen vast dan rechtse. En: linkse economen denken minder vaak dat een minimumloon de werkloosheid verhoogt dan rechtse (zie op mejudice.nl het onderzoek van Harry van Dalen, Arjo Klamer en Kees Koedijk). Is dit wetenschap of dogma? Om aan te tonen dat ze niet dogmatisch verblind zijn, publiceren sommige Amerikaanse economen nu lijstjes met zaken waarover ze van mening veranderd zijn in reactie op de feiten. Het laat zien dat in elk geval een deel van de economische wetenschap zichzelf grondig de maat aan het nemen is. Economie is een wetenschap die zichzelf helemaal opnieuw moet bewijzen.