‘Ik signeer met mijn bloed’

Schrijver en punkrocker Jerry Hormone (1982) hoopt dat de lezer de personages in zijn verhalenbundel Het is maar bloed met leedvermaak en wreedheid beziet. En om hun ellende kan lachen. „Ik wil een kale, droge tekst.”

Tekst Monique Snoeijen Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Borre

„Bijna alle kinderen kennen Borre. Op de basisschool worden ze ermee doodgegooid. Inmiddels heb ik meer dan honderd boeken over Borre geschreven, van voorleesverhaaltjes voor groep 0 tot spannende leesverhalen voor groep 8. Borre is een nogal wit uitgevallen, kaal jochie met puntoren en een rood-wit gestreept T-shirt. We verkopen elk jaar zo’n 1,5 miljoen exemplaren. Ik had nog nooit een kinderboek geschreven. De illustrator, Stefan Tijs, was mijn labelbaas toen ik nog in punkrockgroep The Apers zat. Ik sliep altijd bij hem op de bank, voor een huis had ik geen geld. Die band liep hartstikke goed, maar aan een show hielden we 25 piek per persoon over. Dan haalde je bij de pomp een broodje kaas, een flesje chocomel en drie pakjes peuken en dan was het alweer op. Na vijf jaar was ik het circus zat. Toen vroeg Stefan me een proefverhaal te maken.”

Kinderboekenschrijver

„Ik kende helemaal geen kinderen. Kinderboeken interesseren me ook niet, ze zijn geschreven voor kinderen, ik ben geen kind. Die boeken moesten dus ook voor mezelf leuk zijn om te maken. Ik hou van woordgrapjes. Sportschool Dim Sumo in de Tjopstikstraat, dat werk. ‘Borre en de verknipte haarrover’ staat vol met verwijzingen naar Turks Fruit: Eric heeft een weggelopen, rooie poes, Olga. Hij rooft overal in de stad rode staarten, krullen en lokken bij elkaar om zelf een nieuwe poes van te maken. Dat boek is doorspekt met sexual innuendo. Borre is inmiddels ook in het Chinees en Koreaans vertaald. Of die kinderen mijn humor begrijpen? Geen idee.”

Jeroen Aalbers

„Jerry Hormone is natuurlijk niet mijn eigen naam. Ik heb die naam op mijn zestiende verzonnen. Ik zat in een punkrockbandje dat The Ragin’ Hormones heette. Ontzettende teringherrie. Ik noemde mezelf Jeroen Hormone. Op tournee in Italië bleek dat ze die naam niet konden uitspreken. Terwijl ik een internationale punkrocksuperster wilde worden. Dus verzon ik Jerry. Iedereen noemt me zo, behalve mijn oma en mijn moeder. Jerry Hormone is natuurlijk geen naam voor op een kinderboek. Ik had het pseudoniem Jeronymus van Puffelen moeten gebruiken, zo noemde mijn moeder mij vroeger, dat bedacht ik helaas te laat. Ik voel me niet echt Jeroen Aalbers.”

Volwassen debuut

Het is maar bloed is een verhalenbundel met vijftien ellendige verhalen over vijftien ellendige personages en de ellende die zij zichzelf en elkaar aandoen. Dat is het reclamepraatje en dat is precies wat het is. Nu ja, ‘De zilvermeeuw en het oor van mevrouw Jansen’ is een klein, absurdistisch verhaal. Het kan niet de hele tijd ellende zijn. Maar als je afstand tot je personages houdt – dat heb ik van Roald Dahl afgekeken – dan kan de lezer met leedvermaak en wreedheid naar hun ellende kijken en dan moet hij daar als het goed is een beetje om lachen. Behalve bij ‘Een Engel van beton’, daar valt niet veel in te lachen. Een ietwat alcoholistische, weinig etende, kettingrokende jongeman die met zijn oudere ex-vriendin en haar kind, dat niet van hem is, nog een keer op vakantie gaat naar Frankrijk. Hou je vast voor gezelligheid. Er wordt niet in geneukt, dat kan ik alvast verklappen. Er wordt sowieso weinig geneukt in dit boek, al gaat het er wel de hele tijd over. Alleen in ‘De Spareribclub’ zit seks, tedere seks zowaar, maar dan wel tussen twee zwaarlijvige mannen van een jaar of 65 die als hetero door het leven gaan.”

Vaandrager

„Ik ben een cerebrale schrijver. Elk woordje moet op het juiste plekje. Ieder functiewoordje moet een functie hebben, ieder inhoudswoordje moet bijdragen aan de inhoud. Couperus is vast en zeker een heel goede schrijver, maar ik hou niet van dat sliertige. Ik wil een kale, droge tekst. Armando, Sleutelaar, Vaandrager, dat zijn mijn helden.”

Bloed

„In Nederland mag je alleen op het omslag van je boek staan als je een Bekende Nederlander bent. Dat vind ik zulke valse bescheidenheid. Op een platenhoes staat de band gewoon tegen een muurtje, dan zie je tenminste wie het zijn. Omdat er veel bloed in mijn boek voorkomt, ben ik door mijn platenverzameling heen gegaan op zoek naar hoezen met bloed. Op de lp van ‘I get wet’ staat Andrew W.K. met een geweldige bloedneus. Ik dacht: daar ga ik even postmodernistisch intertekstueel naar verwijzen. Die bloedneus hebben we met varkensbloed gemaakt. Bij slagerij Schell aan de West-Kruiskade keken ze een beetje moeilijk toen ik om een halve liter bloed vroeg. ‘Ik heb het alleen in zakken van een liter’, zei de slager. Mijn boeken signeer ik met mijn eigen bloed. Op de boekpresentatie liet ik dat ter plekke aftappen door een vriendin die ooit verpleegkundige was. Als boekwinkels via mijn Facebook-pagina drie exemplaren inslaan, signeer ik ze met bloed. ‘Recht uit het hart’, zet ik er dan in. Dat bloed is door de hersens gegaan waarmee dit boek is geschreven. Dat vind ik een toffe metafoor. Het is natuurlijk ook aanstellerij, maar ik hou wel van een beetje sjeu.”

Haarcarrière

„De kapster kwam in Numansdorp aan huis. Tot groep 7 had ik een nogal non-descript kapsel. In groep 8 heb ik mijn hoofd gemillimeterd. Bleek dat ik zonder haar een enorme rotkop had: kleine schedel, groot gezicht. Op de middelbare school nam ik een champignonkapsel, net zoals veel gabbers, de zijkanten weggeschoren. Ook geen porem. Toen ik naar Nirvana ging luisteren, wilde ik het lang laten groeien. Ik had het geduld niet, dus werd het een geblondeerde hanenkam. Daarna heb ik nog een tijdje een vetkuif gehad, net als de rockers uit de jaren vijftig. Nu loop ik er alweer vijftien jaar zo bij. Ik heb tegen Elfie gezegd: als je kanker krijgt, maak ik er een pruik van voor je. Een soort Turks Fruit, maar dan met goede afloop.”

Elfie Tromp

„Ze is fantastisch. Het lekkerste wijf van Rotterdam. Er wordt nu een beetje een literair fenomeen van ons gemaakt. In Rotterdam heb je natuurlijk ook niet veel concurrentie. De Rotterdamse schrijvers die bij een nationale uitgeverij zitten, zijn op vier handen te tellen. Elfie en ik zijn ook nog eens de enige twee die samen zijn. Wij zeggen wel eens voor de grap dat wij de leukere Leon de Winter en Jessica Durlacher zijn. Ik heb wel eens gelezen dat zij jaloers op elkaars schrijverschap zijn. Sorry, als je jaloers bent op je eigen vrouw, dan heb je echt iets niet goed gedaan. Als Elfie haar boekpresentatie heeft en ik mag met mijn bandje optreden, dan is het voor mij ook feest. Als zij een goede recensie heeft, staan we op de tafel te dansen. We zitten altijd in hetzelfde team. Natuurlijk word je van schrijven soms behoorlijk moodswingy, maar we begrijpen van elkaar hoe dat werkt. Ruzies gaan altijd over je eigen frustratie, die je dan op iemand anders uitleeft. Dan kun je beter een rondje gaan hardlopen, of een dutje doen.”

Strak

Strak is het onregelmatig verschijnend, geïllustreerd tijdschrift voor de Nieuwe Nieuwe Zakelijkheid dat ik samen met Elfie maak. Het motto is: ‘Masturberen doe je voor jezelf, schrijven voor de lezer’. ‘Laten we weer eens een Strak maken’, zeggen we dan tegen elkaar, ‘dat is toch eigenlijk hartstikke leuk’. Maar het blijkt altijd weer een fucking werk en je verkoopt er geen drol van. Nooit meer, denken we dan. Op een gegeven moment zijn we de ellende vergeten en stinken we er toch weer in.”