Column

Geef maar aan mama

Wat ik vroeger altijd nogal gênant vond, was dat er moeders waren die tegen hun kind zeiden: „Geef maar aan mama! Aan mama! Geef maar aan mama! Goed zo! Aan mama!” Waarom zou je het over jezelf hebben als mama? Wat is er mis met het woord ‘ik’? Of ‘mij’? Uiteindelijk leert iedereen natuurlijk wel praten. Dan kun je toch net zo goed normaal doen?

Inmiddels heb ik het antwoord. Een vriendin van mij vertelde hoe irritant ze het vond dat haar kinderen eerder ‘papa’ zeiden dan ‘mama’. Dit kwam, zo dachten we, doordat moeders voortdurend tegen hun kinderen praten, en vaders toch net wat minder.

Als een moeder meer tegen het kind praat, maar dat doet op een natuurlijke manier, zal ze dus wel veel zeggen: „Geef maar aan papa! Goed zo!” Aan zichzelf refereert ze als ‘ik’ en ‘mij’. Natuurlijk gaat dat kind dan eerder papa zeggen. Mama is dat onbenoemde wezen dat de hele tijd aan het woord is. Papa is die man die papa genoemd wordt.

Er zijn twee oplossingen voor dit (oké, niet heel erg levensgrote) probleem. Eerste oplossing: vader moet meer gaan praten tegen het kind, en dan vooral veel aan mama refereren. Tweede oplossing: mama moet zelf over mama gaan praten.

En omdat mama natuurlijk een beetje moe is, en geen zin heeft om ‘de discussie aan te gaan’, doet ze het ‘zelf wel weer’. Ja, het klinkt debiel, maar je moet wat voor de goede zaak over hebben. Dus ja hoor, daar ga ik. „Geef maar aan mama!”

„Dada.”

„Ja, bijna! Mama!”

„Dada.”

Ook goed.