Een moord is nooit gemiddeld

De meeste moorden gepleegd door mannen zijn moord op een (ex-)partner, vaak vanwege jaloezie en krenking.

Ze stond al voorovergebogen in haar auto geleund om haar jas en tas neer te leggen, op weg naar werk, toen haar ex-vriend kwam aanlopen. Er volgde een heftige woordenwisseling, geduw, getrek. Toen trok hij plots een revolver uit zijn binnenzak. En toen zei hij: „Anders schiet ik jou!” En toen zei zij: „Dan schiet je maar!” En toen schoot hij. Drie maal.

Een gemiddelde moord, bestaat zoiets? Zou je de statistieken erop naslaan die NRC deze krant verzamelde van alle afgeronde moord- en doodslagzaken tussen 2011 en 2013, ruim driehonderd veroordeelden, dan komt de moord in de Stuwstraat in Den Haag, maandagochtend 11 maart 2011, het meest in de buurt.

Een moord „in de relationele sfeer”, zo beschreven media destijds het tragische lot van de 37-jarige Haagse vrouw, gedood door haar 35-jarige ex. In liefst tweederde van alle zaken die NRC de krant bekeek is de moord „in de relationele sfeer” gepleegd: de dader is meestal een (ex-) partner en vaak een bekende of familielid van het slachtoffer. In een zesde van de gevallen betrof het een moord in het criminele circuit.

Die bevindingen sluiten aan bij een ontwikkeling die Marieke Liem, onderzoeker naar moord- en doodslag aan Universiteit Leiden, al langer ziet. In Nederland neemt het aantal ‘man tot man-gevechten’, vroeger de grootste oorzaak, gestaag af. En omdat het aantal ‘relationele moorden’ door de tijd heen constant is („escalerende relaties zijn er altijd”) neemt hun aandeel in de moordcijfers stilaan toe. Waarmee het totále moordcijfer dus afneemt. In korte tijd is dat zelfs bijna gehalveerd: van zo’n 250 rond de eeuwwisseling tot minder dan 150 de afgelopen jaren. Liem: „We gaan richting het moordpeil van de jaren 50.”

Meer op internet: minder moord

In heel West-Europa is de daling zichtbaar. En niemand heeft er een goede verklaring voor. Ontwikkelingen in veiligheidsbeleid, werkloosheid, alcohol- en druggebruik, vergrijzing; vele mogelijke oorzaken hebben Marieke Liem en haar collega’s bekeken. Geen enkele bleek de daling goed te verklaren.

De beste verklaring die Liem nu kan bedenken: digitalisering. In de jaren 70 steeg het aantal moorden snel door een wildere levensstijl mogelijk gemaakt door de pil en de toegenomen welvaart. Mensen gedroegen zich langer jong en uithuizig en liepen zo meer risico op geweld. Maar sinds de opkomst van internet zitten mensen weer meer thuis, achter hun computer. Meer cybercrime, minder moord.

Lees ook: Vrouwen zijn gek, mannen zijn slecht en wel dood, geen moord

Najim, de schutter in de Haagse Stuwstraat, was geen lieverdje. Hij dealde speed, coke en balletjes heroïne, was zelf drugsverslaafd en bewaarde een revolver onder zijn bestuurdersstoel. Eerder was hij veroordeeld voor geweldsdelicten.

Zijn ex-vriendin kende zijn temperament maar al te goed. Hij had haar eens ontvoerd, zij deed aangifte. Ruim twee maanden voor haar dood, het was net uit, drong hij binnen in haar ouderlijk huis en eiste dat ze meeging om de aangifte in te trekken. Hij trok haar zo hard aan haar haren mee de gang in dat een pluk losliet. Op het politiebureau toonde ze later de kale plek op het achterhoofd. Ze was, verklaarde ze, doodsbang voor hem.

De leeftijd waarop hij de moord pleegde, 35 jaar, is het gemiddelde van alle ruim driehonderd daders. Moord is geen jeugddelict, zegt Liem. Vooral omdat veel mensen pas later in het leven relaties aangaan waarin fataal geweld kan optreden.

Velen denken dat Najim zijn ex opwachtte voordat hij haar doodde. Hij woonde tegenover haar en hing al 17 minuten rond voor zijn flat voordat hij haar aansprak. Zelf verklaarde hij op de rechtzitting dat hij net wilde gaan dealen in Gouda en toevallig zijn ex richting haar werk zag vertrekken. Hij wilde haar spreken over „de man of mannen” die zij eerder „zou hebben meegenomen naar zijn woning” en is toen op haar afgelopen. Toen ze geen antwoord wilde geven op zijn vragen pakte hij een revolver uit zijn binnenzak en richtte die op haar om meer druk te zetten.

Jaloezie en krenking zijn bij partnerdoding de meest voorkomende motieven, zegt Liem. „Wat je veel ziet: If I can’t have you, no one can.” Dat de dader in dit geval drugsverslaafd was en een wapen droeg geeft een drempelverlagend effect.

Toch zou Najim in hoger beroep worden veroordeeld voor doodslag, niet voor moord. Hij verklaarde dat het niet zijn bedoeling is geweest zijn ex om het leven te brengen. De doodslag vond plaats in de openbare ruimte, wat een iets hogere dan gemiddelde straf opleverde: 15 jaar cel.

Moord is altijd uitzonderlijk

Tot zover de gemiddelden. Want als van één handeling gemiddelden niet bestaan dan is het van moord. Iemand doden is een handeling die elk jaar in Nederland 1,2 per 100.000 mensen verrichten. Diezelfde groep poetst zijn tanden 60 miljoen keer vaker – mits twee keer per dag. Moord, zegt Liem, is de meest extreme handeling die een mens verrichten kan. Het is de tragische resultante van een accumulatie van omstandigheden. Een uitzonderlijke beslissing, genomen in een uitzonderlijke situatie. En zelfs dan is de geweldsexplosie vaak nog irrationeel. Er was een „zwart gat”, verklaarde Najim zijn motief. Meer kon hij er, tot ergernis van het hof, niet van maken.

In de Stuwstraat ligt ter nagedachtenis een tegel met erop een lieveheersbeestje.

Over dit onderzoek: De dataset die voor dit onderzoek is gebruikt, is onder meer gebaseerd op de jaarlijkse publicatie van Elsevier met daarin de levensdelicten die dat jaar zijn gepleegd. De data van delicten gepleegd tussen 2011 en 2013 zijn geverifieerd bij het Openbaar Ministerie en rechtbanken. Daar zijn vervolgens de uitspraken bij gezocht. Opgenomen zijn alleen levensdelicten waarbij een dader schuldig is bevonden aan moord of doodslag. Sommigen hebben geen straf gekregen, bijvoorbeeld omdat ze volledig ontoerekeningsvatbaar werden verklaard. Ook zaken met ‘dood door schuld’ zijn niet opgenomen. Voor de classificatie zijn uitspraken via rechtspraak.nl bekeken. Uitspraken die daar niet op stonden, zijn bij het Openbaar Ministerie en gerechtshoven opgevraagd. In totaal gaat het om 301 uitspraken. Daarvan hebben er 112 ook in hoger beroep gediend. De database is actueel tot en met december 2015.