Echte kampioenen doen alles zelf

De wetenschapsbijlage gaat deze week diep. In het verhaal over het leven van potvissen bijvoorbeeld. De auteur, Lucas Brouwers, beschreef in januari al het dramatische verhaal van de potvismannetjes die zich klem zwommen in de zuidelijke Noordzee (maximale diepte: 50 meter). Veel te oppervlakkig voor deze reusachtige zeezoogdieren. Hun einde kwam bij Texel. De grootste had zelfs schaafwonden op zijn buik en flank. Tegen een zandbank aan gezwommen.

In het vrije oceaanleven achtervolgen potvissen hun prooi tot wel twee kilometer diepte. Potvislongen worden ingedrukt, potvisspieren stromen vol zuurstof. En iedere dag gaan ze een paar keer op en neer, meestal naar 500 à 1.000 meter. In potvisbotten zijn sporen van decompressieziekte gevonden: putjes ontstaan door stikstofembolieën. Maar de dieren kunnen wel 70 jaar oud worden. Die diepzeeduiken deren hen weinig.

En dieper in de bijlage, in de De Kleine Wetenschap, duikt de spitsnuitdolfijn op. Helaas is dat exemplaar dood, aangespoeld bij Vlissingen – ook verhongerd in de grote zeezoogdierenfuik die de Noordzee heet. In de oceanen duikt de spitssnuitdolfijn wel tot drie kilometer diep, waar een druk heerst van 300 atmosfeer. De dieren duiken dag en nacht door. En tussen de duiken door blijven ze maar kort aan de oppervlakte. Niet voor niets hebben ze unieke, bijna zwarte spieren, met het laagste zuurstofverbruik van alle zoogdieren. De spitssnuitdolfijn is kampioen diepzeeduiken.

En de filmer David Cameron dan? Die daalde in 2012 af in de Marianentrog met een zeven meter lange kogel van het speciaal ontworpen synthetisch schuim Isofloat. 11.000 meter diep, dat is toch ook knap! Deze opmerking leidde tot een diepe, haast bozige stilte bij de biologen ter redactie. En toen klonk een hard ‘nee’. Die dieren doen het allemaal zelf en iedere dag, kilometers diep. Om het reusachtige lichaam te voeden, zwerven ze door een donker en voor ons onvoorstelbaar universum waarin onder en boven even belangrijk zijn als links en rechts.

Zo’n man in een kogel kan bijna niks.