Diepreligieus en van god los

Een aanslag met een brandbom op een Palestijns gezin werd in Israël breed veroordeeld. Toch kunnen extremistische kolonisten al jaren ongestraft hun gang gaan. „Hun geweld wordt niet gerapporteerd en ze worden beschermd door het leger.”

Het driewielertje in de gang. Het babyflesje op het aanrecht. Elk voorwerp in het zwartgeblakerde huis staat nog op zijn plaats sinds drie leden van het gezin-Dawabsheh op 31 juli vorig jaar om het leven kwamen bij een aanslag met een brandbom. Het vierde gezinslid, de vierjarige Ahmed, mocht in december beginnen aan zijn revalidatie, nadat hij vijf maanden in het brandwondencentrum had gelegen.

Adeeb Dawabsheh, een neef van de omgekomen vader Sa’ad, geeft een half jaar na de aanslag een rondleiding door het huis. Vooral in de ouderlijke slaapkamer, waar de brandbom landde, is weinig meer heel. Boven het puin uit steken een deken, een schoen en een paar slippers. Omdat het dorpje nogal afgelegen is, duurde het volgens Adeeb drie kwartier voor de brandweer was gearriveerd. „Het lichaam van de baby, Ali Sa’ad, was totaal verbrand.”

Twee verdachten, de 21-jarige joodse extremist Amiram Ben-Uliel en een zeventienjarige helper, staan achter gesloten deuren terecht voor de aanslag. Ben-Uliel zou ’s nachts het dorpje Duma zijn binnengeslopen en een geschikt doelwit hebben uitgezocht. Volgens de aanklacht zou hij bewust hebben gekozen voor een huis waar tekenen van leven te zien waren, om er zeker van te zijn dat hij slachtoffers zou maken. De familie Dawabsheh was, volgens neef Adeeb, die avond laat thuisgekomen van een feestje. Waarschijnlijk brandde er nog licht.

De gevolgen van de aanslag in Duma, een dorpje met drieduizend inwoners op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever, waren vele malen groter dan het verlies van drie levens. Toen enkele maanden na de aanslag een golf van Palestijns geweld losbarstte, verklaarden diverse aanslagplegers dat ze wraak hadden willen nemen voor ‘Duma’. Bovendien vestigde de aanslag de aandacht op het fenomeen van het joods extremisme.

Premier Netanyahu sprak meteen van een „daad van terreur”, een kwalificatie die hij doorgaans reserveert voor Palestijnse aanslagen. Toen de aanslag enkele maanden later op een bruiloft in Jeruzalem openlijk werd gevierd, met ultra-orthodoxe gasten die een mes staken in een foto van de omgekomen baby, was hij opnieuw geschokt. „Deze marginale groep vertegenwoordigt niet rechts Israël, het is niet het rechts dat ik ken”, aldus de premier. Ook andere rechtse politici distantieerden zich van de joodse extremisten.

Maar voor Zehava Gal-On, fractievoorzitter van het linkse Meretz, waren de gebeurtenissen op de bruiloft symptoom van een wijder verbreid sentiment. Op haar Facebookpagina schreef ze: „De ziekte is de diepe, blinde haat die niet begint en eindigt bij een ‘kleine groep’ van jonge mannen, maar die steeds meer lagen van de bevolking bereikt […] Het is het gevoel van meesterschap over de Palestijnen, de onverschilligheid tegenover hun lijden en het verzekerd zijn van de superioriteit van het Joodse volk.”

Extreemrechts

Geen enkele Israëlische politicus verdedigt Joodse aanslagen met racistische motieven. Maar hoezeer deze daden ook worden veroordeeld, in de praktijk kunnen extremistische kolonisten als Ben-Uliel al jaren ongestraft hun gang gaan. Hun beweging wordt zelfs expliciet gesteund door de Israëlische overheid.

Eind februari publiceerde de krant Haaretz uit een tot dan toe geheim document van de Israëlische politie waarin een profiel wordt geschetst van de typische extreemrechtse crimineel. Hun gemiddelde leeftijd is tussen de veertien en achttien, maar ook tienjarigen zijn al eens betrapt. Het zijn zeer gelovige jongemannen die zich, zoals gebruikelijk bij orthodoxe joden, uitdossen met pijpenkrullen langs de zijkanten van hun hoofd. Ze lijden onder „gebrekkige persoonlijke hygiëne”, aldus het document. Als ze op pad gaan, meestal aan het begin van de nacht, binden ze hun pijpenkrullen vast in hun nek, om niet herkend te worden.

Vrouwen zijn minder betrokken bij extreemrechtse misdaden, maar de vrouw van hoofdverdachte Ben-Uliel, die na haar huwelijk een boerka-achtige bedekking is gaan dragen, werd al wel zo’n tien keer aangeklaagd.

De meeste van deze extremisten wonen of verblijven in buitenposten bij bestaande nederzettingen, die soms slechts bestaan uit enkele zelf getimmerde keten. Volgens het internationaal recht zijn alle Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever illegaal, maar deze buitenposten zijn dat zelfs volgens het Israëlische recht. In veel gevallen zijn ze gebouwd op land dat persoonlijk eigendom is van Palestijnen. Zo werd Esh Kodesh, een buitenpost in de heuvels boven Duma, gesticht op boerenland van het Palestijnse dorpje Jalud. Er werden kikkererwten, tarwe en olijven verbouwd.

Het aantal illegale buitenposten dijt alsmaar uit, blijkt uit het rapport Under the Radar. Israel’s silent policy of transforming unauthorized outposts into official settlements. Dit rapport, dat vorig jaar verscheen, is opgesteld door de mensenrechtenorganisaties The Rights Forum, uit Nederland, en het Israëlische Yesh Din.

Israël heeft zich gecommitteerd aan het afbreken van de buitenposten. Maar uit het rapport blijkt dat de Israëlische overheid buitenposten legaliseert voor het Israëlisch recht door ze te bestempelen als ‘wijken’ van bestaande nederzettingen, ook als ze op een andere heuvel liggen met kilometers braakliggend land ertussen. De buitenposten worden bovendien gesteund met overheidsgeld. Subsidies op huizen in nederzettingen trekken ook ‘gewone’, niet ideologisch gedreven Israëliërs die op zoek zijn naar een goedkopere woning.

Maar ook zij ervaren dagelijks dat ze in bezet gebied wonen. Sinds afgelopen najaar is het geweld weer opgelaaid, wat zich vooral uit in Palestijnse aanslagen op kolonisten. Zo werd in januari de koloniste Dafna Meir, moeder van zes kinderen, op gruwelijke wijze vermoord in haar eigen huis. Volgens de Israëlische veiligheidsdienst Shin Bet noemde Ben-Uliel als motief voor zijn aanslag ook een eerdere Palestijnse aanslag, waarbij kolonist Malachi Rosenfeld omkwam.

De Revolte

Een verschil tussen de huidige generatie joodse extremisten en oudere geestverwanten – ook de moord op premier Rabin in 1995 werd gepleegd door een extremistische jood – is dat de jongere generatie zich niets gelegen laat liggen aan God of gebod. Ook al zijn ze diepreligieus, naar hun rabbijnen luisteren ze niet meer.

Shin Bet beschrijft een joods terreurnetwerk dat bekendstaat als ‘De Revolte’. Waar de kolonistenbeweging in het algemeen zich redelijk positief uitlaat over de Israëlische regering, zien deze extremisten de staat als hun vijand. Ook al worden ze door de staat gefaciliteerd, het doel van De Revolte is het omverwerpen van de democratie in Israël. Een Joods koninkrijk, gebaseerd op de Torah, moet ervoor in de plaats komen. Het doel van de aanvallen op Arabieren is het stichten van chaos die moet bijdragen aan destabilisering van de staat.

De 24-jarige Moshe Orbach zou het brein zijn achter de rebellie tegen de staat en aanvallen op christenen en moslims. Eerder was hij al eens verdacht van brandstichting in een klooster, en eind februari werd hij schuldig bevonden aan het schrijven van het ‘handboek’ Koninkrijk van het Kwaad. Hierin beschrijft hij volgens Shin Bet hoe je een terreurcel opzet. Normaal gesproken, schreef Orbach, hadden de extremisten het gemunt op de bezittingen van Palestijnen. Maar soms zijn ze dat zat. „Dan willen we gewoon een huis in brand steken terwijl de bewoners nog thuis zijn.”

Mensenrechtenorganisatie Yesh Din heeft in tien jaar 195 aanvallen in de directe omgeving van Duma gedocumenteerd. In de helft van de gevallen werd er schade aangericht aan bezittingen, drie op de tien keer was er sprake van geweld. In slechts 7,4 procent van de gevallen, aldus Yesh Din, is er iemand aangeklaagd.

De getuigenis

De bevindingen van Yesh Din worden geschraagd door de getuigenis die een voormalige soldate onlangs heeft afgelegd bij Breaking the Silence, een non-gouvernementele organisatie van Israëlische veteranen die strijden tegen de bezetting van Palestijns gebied. De jonge vrouw, die om juridische redenen anoniem wil blijven, doet op verzoek nog eens haar relaas, op het hoofdkantoor van de ngo in Tel Aviv.

De vrouw was tussen 2013 en 2015 ingedeeld bij het ‘civiel bestuur’, de Israëlische overheidsorganisatie die op de bezette Westelijke Jordaanoever het contact met de Palestijnen voor haar rekening neemt. Geregeld, vertelt de oud-soldate, moest ze de gevolgen afhandelen van acties van joodse kolonisten. „Dan waren de olijven al geplukt voordat de Palestijnen erbij konden, of waren bomen omgezaagd of verbrand.”

De kolonisten genieten enorme privileges, aldus de vrouw. „Hun geweld wordt niet gerapporteerd en ze worden beschermd door het leger. Vaak wordt gezegd dat het kolonistengeweld uit uitwassen bestaat. Dat is niet waar. Er is een wekelijks kat- en muisspel gaande tussen de kolonisten en het leger. Israëliërs denken dat de boosdoeners een stelletje extremisten op heuveltoppen zijn. In werkelijkheid worden aanvallen systematisch uitgevoerd, ook vanuit de grotere nederzettingen.”

De joodse kolonisten keren zich net zo goed tegen het Israëlische leger, ervoer de vrouw. Ze vertelt over een brigadier-generaal die eens ging praten met de mensen in Yitzhar, een van de meer extreme nederzettingen, niet ver van Nablus. Zijn doel was het kalmeren van de gespannen verhouding tussen het leger en de joodse kolonisten. „Toen hij weer terug naar zijn jeep liep, waren zijn banden lek gestoken”, aldus de soldate. Later ging hij nog eens naar Yitzhar – en toen gebeurde het wéér.

En zo was er meer. Een religieuze kolonist die op vrijdagavond, na het ingaan van sabbat, op heterdaad werd betrapt met een kettingzaag in de olijfboomgaard van een Palestijn. Hij werd niet aangeklaagd. Of de vijftienjarige Palestijnse jongen die was gekidnapt door kolonisten, in elkaar werd geslagen en teruggestuurd naar Nablus, waar hij vandaan kwam. Het voorval werd niet onderzocht.

Zelfs ‘Duma’ is al eens gebeurd – maar dan zonder dodelijke slachtoffers. De reden dat het publiek niets over dat eerdere voorval heeft gehoord, aldus de soldate, is dat het leger „zogenaamd het spoor kwijt” was geraakt in de zoektocht naar de daders. Dat spoor leidde naar een van de illegale buitenposten. „Ik weet zeker dat ze de dader hadden kunnen vinden door de mensen in die buitenpost te ondervragen. Maar het gebeurde niet.”

Rechtssysteem

Wetteloosheid? Vraag het aan de familieleden van terreurverdachte Ben-Uliel en je krijgt een heel ander antwoord. Een maand na de arrestatie protesteerden ze voor het huis van de plaatsvervangend openbaar aanklager, Raz Nizri, en eisten zijn ontslag. Volgens de familieleden heeft Amiram Ben-Uliel een bekentenis afgelegd nadat hij was gemarteld.

Volgens de verdachte zelf, aldus een publicatie op het Israëlische Channel 2, bestond de marteling uit het gedwongen luisteren naar zingende vrouwen (wat zijn interpretatie van de joodse religie verbiedt), geslagen worden, vastgebonden zijn en zitten in een onmogelijke houding. Deze ondervragingstechnieken zouden de enige reden zijn geweest dat Ben-Uliel een bekentenis heeft afgelegd.

Voor Palestijnse terreurverdachten zijn deze verhoormethoden niet ongebruikelijk. Maar in het geval van Ben-Uliel zouden ze voor het eerst zijn toegepast op een Joodse verdachte – dát is waar zijn familie tegen protesteerde. ‘Nizri martelt Joden’, stond op een van hun spandoeken. Ze kregen bezoek van minister Ayelet Shaked (Justitie, Het Joodse Huis), die stelde dat het tot haar „verantwoordelijkheden” hoort dit soort klachten aan te horen. Tegelijk is een wet in de maak die erop gericht is drie Arabische parlementariërs te verwijderen omdat zij een bezoek hebben gebracht aan familieleden van Palestijnse terreurverdachten.

Begin januari sprak de Amerikaanse ambassadeur in Tel Aviv, Dan Shapiro, van twee juridische standaarden in Israël: één voor Israëliërs, één voor Palestijnen. Netanyahu noemde die uitspraak „onacceptabel en onwaar”. Maar ook de inwoners van Duma hebben weinig vertrouwen in het Israëlische rechtssysteem. Stel je eens het tegenovergestelde voor, zegt Adeeb Dawabsheh. „Dat een Palestijn een brandbom in het huis van Joden zou hebben gegooid. Wat er dan gebeurd zou zijn? Israël had de hele Westelijke Jordaanoever platgebrand.”