‘Die jongen schrijft best knap’

De stamboom is een verkeerde metafoor voor families, vertelt schrijver Hans Maarten van den Brink bij een kroket. „Afkomst is als een rivier waar allerlei stromen samenkomen.”

Schrijver Hans Maarten van den Brink: „Romans zijn niet bedoeld voor opvattingen of oplossingen.”

Hans Maarten van den Brink (59) zit met zijn rug naar het daglicht, waardoor ik, in het halfduister van café Scheltema in Amsterdam, alleen de contouren van zijn gezicht kan zien. Hij bestelt koffie en kroketten, want „dan hebben we dat maar vast gehad”. Hij praat snel, denkt nog sneller. Dan stopt hij. „Zijn we eigenlijk al begonnen?” Als antwoord toon ik mijn ontdopte pen. „Oké,” zegt hij. En alsof hij zichzelf een startschot geeft. „We beginnen.” Schrijf maar hoor, moedigt hij aan. Netjes eten is niet nodig, zegt hij. „En me aankijken, dat hoeft ook niet.”

Hij talmt toch nog even. „We gaan het niet over het boek hebben, toch?” Dijk, zijn boek over een gepensioneerde ijkmeester en zijn stuurse collega met wie hij een loopbaan deelde bij een ooit voornaam, maar overbodig geraakt instituut. De Rijksdienst waar de ambtenaren de meet- en weeginstrumenten van middenstanders controleerden en erop toezagen dat een kilo een kilo en een meter een meter was. Het boek is zo lovend ontvangen, dat hij vindt dat alle aandacht ervoor nu wel weer mag stoppen. „Dat zeg ik niet uit koketterie. Het is bijna een fysieke reactie. Zodra ik opensla wat ik heb gemaakt, schrik ik me dood.” Waarvan? „Van alles. Wat er staat. Hoe het er staat. Dan denk ik: het moet anders. Niet zo.”

Tussen deze roman en zijn vorige zit precies zeventien jaar. Jaren waarin Hans Maarten van den Brink een zoon kreeg en daarna een tweeling (een jongen en een meisje). Waarin hij scheidde en hertrouwde. Waarin hij stopte als VPRO-directeur en directeur van het Mediafonds werd. Ook voor Over het water kreeg hij destijds niets dan lof. Er volgden prijzen en vertalingen, en „as we speak” wordt er onderhandeld met Hollywood over de laatste details van een filmcontract. Trots?, vraag ik tegen beter weten in. „Inmiddels kan ik zeggen dat het best een aardig boek is. Als ik het herlees, denk ik: zo, zo, die jongen schrijft best knap. En meteen er achteraan: ik zou het niet meer kunnen.”

Hij heeft allang bedacht waar hij het wél over wil hebben. Over Duitsland. Over identiteit. Over hoe mensen met elkaar omgaan. En over oorlog. Duitsland is het thema van de Boekenweek die nu is begonnen. Het is ook het land van zijn moeder. Het land waar hij als kind drie keer per jaar met vakantie naartoe ging. Eerst met de trein, later met de auto met in de achterbak koffie, kaas en boter voor alle familieleden. Hij waardeert de ernst van de Duitsers, hun somberte en serieusheid. Nee, het zijn niet zijn wortels die daar liggen. Hij vindt de ‘stamboom’ een verkeerde metafoor voor een familieschema. „Dat beeld veronderstelt dat we ergens vast in de aarde zijn geplant en verder zijn gegroeid. Je hoeft het spoor maar terug te volgen en je weet waar je vandaan komt en dus wie je bent.” Als het over afkomst gaat, verkiest hij het beeld van de rivier. „In een rivier komen talloze stroompjes samen; zij-armen zonder naam en krachtige bergbeekjes, met hier en daar een plens weggeworpen waswater of een ondergronds riool.” Zoeken naar het water van gisteren is zinloos.

Je kiest de afkomst die bij je past

Afkomst, zegt hij, is toeval. Geschiedenis een keuze. Ook familiegeschiedenis. „Er is niet één bron waaruit alles is ontstaan.” Weinig mensen kennen nog de namen van de vier grootouders, de acht overgrootouders, zestien betovergrootouders. Laat staan wat hun woonplaatsen en beroepen waren. „Wie zich identificeert met één van de voorouders, negeert de levensloop van de meesten. Je kiest het verhaal dat het beste past in de identiteit die je jezelf hebt toebedeeld.” Hij kiest ervoor zich óók Duits te voelen, al heeft hij nooit in Duitsland gewoond. Zoals zijn moeder ervoor koos zich meer en meer met haar geboorteland te identificeren, omdat ze zich als immigrant in Nederland „niet senang” voelde. „Mijn twee broers kozen anders. Ze spreken geen Duits en zelfs geen Nederlands meer. Ze wonen ver buiten Nederland en spreken Engels. Ook met mij.”

Hij onderbreekt zijn woordenstroom. Hoe voorkomen we, zegt hij, dat dit een heel somber verhaal wordt? Nou niet, is de conclusie. Want hoor hoe hij verder gaat: „Opvallend veel problemen van de samenleving lijken terug te voeren op identiteit.” Met Amsterdams accent: „Ajax is m’n cluppie.” Dat snápt hij, dat mensen ergens bij willen horen. „Als je mij aan het huilen wil krijgen, moet je heel vaak het woord thuis zeggen. Ik hou ook van het fijne gevoel dat samenzijn geeft. Ik hunker ernaar.” Maar voor je het weet, zegt hij, wordt het ‘ons-gevoel’ vooral gebruikt tégen anderen en misbruik je het saamhorigheidsgevoel om anderen te dwingen hetzelfde te vinden als jij. „Dan is je identiteit dat je tégen Feyenoord bent. Is er in jouw dorpje geen plaats voor vluchtelingen. Heeft ‘jouw land’ geen behoefte aan Marokkanen.” En als vanzelf komt hij zo bij Geert Wilders die ‘onze cultuur’ definieert door vooral te benadrukken wat we niet zijn: Nederlanders zijn géén moslims.

Binnenblijven, waarom zou ik?

Op Twitter is Van den Brink een offensief begonnen tegen wat hij ziet als „overspannen nationalisme” en daarbij schuwt hij de vergelijking met Duitsland in de jaren dertig niet. Dat mag, nee, dat moet hij zelfs. „Er zijn nu lang niet zoveel werklozen als toen, armoede is er niet in die mate, zo schril als toen is het niet. Het tij valt nog best te keren.” Hij spreekt daarom – „beleefd en met argumenten” – de mensen tegen die „opgesloten zitten in hun eigen gelijk”. Als antwoord wordt hij uitgemaakt voor fascist en moslimknuffelaar. Waarom laat hij zich die anonieme scheldpartijen welgevallen, waarom blijft hij niet weg uit die onderstromen van de maatschappij? „Als de straat onveilig is, moet ik me daar dan bij neerleggen en binnenblijven? Waarom zou ik? Je schuilhouden is iets voor bange mensen. Bovendien, je hoeft niet dapper te zijn om tegenwicht te bieden.”

Per ongeluk komen we zo, via een zijweg, toch weer uit bij de roman Dijk. Genoemd naar Karl Dijk, de ambtenaar die zich verzet tegen moderniteiten, die eer schept in zijn verdwijnende beroep en die weigert zich om te laten vormen tot ‘procesmanager’. Hij is de eenling die durft te zeggen dat de meerderheid ongelijk heeft. Hij heeft zelf onlangs wat Ahnenforschung gedaan, onderzoek naar zijn afstamming, en ook in de ‘rivier’ van de familie Van den Brink ontdekte hij een stroompje dat, als enige, de andere kant op wilde stromen. Grootvader van moederskant, Falkowski heette hij, van geboorte Pools, onderwijzer in een Duits dorpje, een immigrant. Zijn luidkeelse waarschuwingen tegen Hitler kostten hem zijn baan, zijn huis, zijn salaris, zijn aanzien en het onderwijs voor zijn dochters. In 1935 werd hij alsnog lid van de NSDAP. Hij paste zich aan en mocht hij er weer bij horen. Met een nieuwe baan in een ander dorp en al zijn dochters naar het gymnasium. Toen na de oorlog de zuiveringen begonnen werd hij, weer, gestraft voor de verkeerde mening. Geen school die nog behoefte had aan zijn aanwezigheid.

Nieuw blaadje, gebiedt hij

Hans Maarten van den Brink wijst op mijn opschrijfboekje tussen de kroketresten. Nieuw blaadje, gebiedt hij. Een schone bladzijde voor wat hij als oplossing aanreikt voor de strijd over identiteit. De oplossing is: schipperen. „Ik heb genoeg managementposities gehad om te weten dat je het een kunt weten en het ander vinden. Je moet niet rigide zijn. Relativeren.” Voorbeeld. „Ik vind het een schande dat de strijders van IS de heiligdommen van de Syrische stad Palmyra vernietigen. Maar ik weet: wij, de christelijke Nederlanders hebben óók een beeldenstorm achter de rug. En daar zijn we trots op ook.” Hij wacht even. „Weten relativeert. Toch?” Nog een voorbeeld: „Ik vind een samenleving die het kindhuwelijk toestaat onwenselijk. Maar ik weet dat Nederland het minderjarigenhuwelijk pas in 1985 afschafte. Was Nederland dus in 1984 een barbaars land? Dacht het toch niet.” Het probleem is, zegt hij, dat mensen dat wat ze weten gaan aanpassen aan wat ze vinden. „Ze zijn bang voor moslims. Dus ineens denken ze te weten dat de islam een kwaadwillende godsdienst is.”

Alles wat hij net gezegd heeft, staat ook wel in zijn boeken. Alleen, hij schrijft het zo op dat je het nauwelijks door hebt. „Romans zijn niet bedoeld voor opvattingen of oplossingen.” Een roman is bedoeld voor inleving en verplaatsing. „Wie zich kan inleven in de ander, voelt mee.” Hans Maarten van den Brink kan over een trekje van een sigaret schrijven zonder ooit gerookt te hebben. Hij verwoordt akelig precies hoe leeg het huis voelt als de kinderen de deur uit zijn, terwijl zijn eigen nest nog bewoond is. Hij beeldt zich in hoe het is om gepensioneerd te zijn, terwijl hij zelf nog vol op zoek is naar een „nieuwe uitdaging”. Literatuur, zegt hij, voedt het mededogen. „Wie al lezend empathie krijgt voor andersdenkenden, zal die niet zo makkelijk met het eigen gelijk om de oren slaan. Dat doe je niet, als je je kunt voorstellen hoe hard die klappen kunnen aankomen.”