Alle koekoekkennis bij elkaar, ook de listen van jonge vogelmoeders

De koekoeken zijn weer op weg. Vorige maand verlieten ze het regenwoud van Congo, waar ze het grootste deel van hun leven doorbrengen. Inmiddels hangen ze rond in Nigeria en Ghana, om begin april een noordelijke route te kiezen.

Eind van die maand zijn ze hier. Roept de koekoek, dan is het echt voorjaar. Voor de zomer loom is – in juli al – zijn de volwassen koekoeken alweer op weg naar Afrika.

Ondertussen vliegen karekieten, kwikstaarten, graspiepers en heggemussen in Europa zich nog de vleugels uit het lijf om voer aan te slepen voor het koekoeksjong in hun nest. Het beest heeft hun eigen eieren of jongen uit hun nest gewerkt en groeit zijn pleegouders langzaam maar zeker boven het hoofd.

Toch heeft ook de koekoeksvrouw het hier druk. Goed opletten en snel handelen, daar komt het op neer. In een fascinerend boek heeft Nick Davies, koekoekonderzoeker in Cambridge, alle koekoekkennis opgeschreven. Vooral over de koekoek (Cuculus canorus) die ook in Nederland vliegt, maar koekoeken uit andere werelddelen komen ook langs. Net als andere parasiterende vogels, zoals het waterhoen, om te laten zien dat broedparasitisme een evolutionaire doorontwikkeling is van wat veel vogels min of meer regelmatig doen: in andermans nest leggen. Eén procent van de vogelsoorten is broedparasiet.

Hoe kom je aan koekoekkennis? Davies spoorde in 1985 en 1986 in het riet van een veengebied bij Cambridge 274 kleine-karekietennesten op en hield ze in de gaten. Hij ving de bewoners en gaf ze kleurringen. In 38 van die nesten kwam één koekoeksei te liggen. In 6 nesten werden het er twee. Nooit worden twee koekoeken groot in één nest, want de jonge koekoek werkt ook zijn toekomstige eigen broertje of zusje eruit.

De koekoeksvrouw wacht met leggen tot de gastmoeder één, liefst twee eieren heeft gelegd. Binnen een minuut legt ze haar eigen ei. En eet doorgaans één karekietenei op. Nesten waar al drie of vier eieren in liggen laat ze met rust. Ze moet veel nesten in de gaten houden om precies op tijd te kunnen toeslaan, want een gastoudernest is maar één of twee dagen geschikt om een ei in te leggen.

Een koekoek is 2,5 keer groter dan de kleine karekiet waarop hij parasiteert. Maar het koekoeksei is marginaal groter dan het karekietenei. Bovendien kruipt er al na 11 dagen broeden een koekoekje uit – een dag eerder dan een kleine kleine karekiet erover doet. Dat is evolutionaire winst: de koekoek is meestal het eerste jong in het nest en een ei is makkelijker over de rand te werken dan een tegenspartelend jong vogeltje.

Ieder koekoeksvrouwtje heeft een voorkeur voor één soort gastouder. In West-Europa zijn dat de kleine karekiet, witte en gele kwikstaart, graspieper en heggemus.

De koekoeken hebben hun eikleur en -grootte aan de eieren van de gastouders aangepast. Alleen de koekoeken die heggemusnesten kiezen leggen nog eieren met roodachtige spikkels op een grijze ondergrond. Terwijl heggemussen zelf kleinere lichtblauwe eitjes leggen.

Het idee is dat de heggemusleggers zijn ‘overgesprongen’, ongeveer 6.000 jaar geleden, van een andere soort waarvan ze de slag dreigden te verliezen. Er zijn vogelsoorten die nog steeds opvallend veel vreemde eieren uit hun nest gooien, terwijl er bijna nooit meer een koekoek langskomt. Dat zouden de ‘verlaten’ soorten zijn.