Subtiele verkenning daderbrein

Hans Kesting als Max Aue en Kevin Janssens als zijn strijdmakker Thomas in 'De Welwilenden' van het Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam.

Voor: een spoorrails. Op de achtergrond een tot de hemel reikende archiefkast. Zo, simpel en effectief, verbeelden regisseur Guy Cassiers en scenograaf Tim van Steenbergen de Holocaust. De nadruk ligt op de efficiency van het systeem, op bureaucratie en logistiek. Het is onsentimenteel, klinisch, kil zelfs. En dat is raak, want in de voorstelling De Welwillenden, naar het boek van Jonathan Littell, zien we de Holocaust door de ogen van de organisatoren en uitvoerders, bij monde van de hoge SS’er Max Aue.

Bij verschijnen in 2006 werd De Welwillenden evenzeer bejubeld als verguisd. Een deel van de kritiek gold het daderperspectief, wat natuurlijk onzin is: juist van de grootste misdadigers moeten we onverminderd de motieven onderzoeken. Maar er was ook literaire kritiek. Littell kiepert een encyclopedische hoeveelheid feiten, namen, plaatsen, rangen over de lezer uit. Eindeloos worden gruwelen, moordpartijen, martelingen opgesomd – in Babi Jar, Stalingrad, Auschwitz. En dan verlustigt Littell zich ook nog in onsmakelijke fysieke problemen van Aue (diarree), en dubieuze erotiek (incest).

Cassiers en bewerker Erwin Jans brachten die overdaad terug tot een ingetogen voorstelling, van niettemin drie uur. Veel overtollige ballast ging overboord. Wat overblijft is de focus op Aues carrière binnen de SS, en de huiveringwekkende weergave van dit onalledaagse, en tegelijk schrikwekkend prozaïsche ‘bedrijf’.

Die gedachte is niet nieuw, maar Littell maakte hem explicieter. Aue vermaant de lezer: denk maar niet dat u zoveel beter bent. Op toneel richt Hans Kesting zich in de eerste minuten ook zo tot het publiek, terwijl het zaallicht aanblijft. We zitten in het volle zicht, er is geen ontsnappen aan; dit gaat over óns. Het is een ongemakkelijk en aangrijpend moment.

Die kracht behoudt de voorstelling niet voortdurend. Er zijn ijzingwekkende scènes die je kippenvel bezorgen. Zo castte Cassiers de beminnelijke Katelijne Daamen als Eichmann. Briljante zet: die tengere, zacht sprekende vrouw als één van de architecten van de Holocaust. Zo wordt de banaliteit van het kwaad voelbaar. Sommige ontmoetingen tussen Aue en andere nazi’s daarentegen zijn stroef en van bordkarton, met dialogen van stripboekduitsers. Dat Cassiers een overleden Joods jongetje opvoert, nota bene met viool, grenst aan Holocaustkitsch.

Maar Kesting als Max Aue fascineert drie uur lang. Deels overkomt zijn carrière hem, deels trekt de oorlog hem ook. Gelaten doet hij zijn werk; voornamelijk rapporten schrijven. Moorden bezorgt hem een mengeling van afkeer en opwinding. Cassiers zoekt geen verklaring voor zijn daden in biografie of psychologie, Aue is sympathiek noch monsterlijk. Hij is een ongrijpbare man, een mens, die aan de verkeerde kant terecht kwam; zoals ons allemaal kan overkomen. Indrukwekkend zijn de nachtmerrieachtige scènes waarin Kesting kronkelt en schreeuwt, met versterkt geluid en gruwelijk vervormde videobeelden van zijn gezicht. Daar suggereert Cassiers de afgrond die onder zijn normale voorkomen schuilt. Trauma of toch iets van een geweten – dat blijft in het midden.

Aan het slot van de voorstelling slaat de archiefkast op tilt; deuren klappen woest open en dicht. Mooie metafoor voor het nazisme als systeem met een eigen wil, dat op zeker moment zichzelf in stand hield. Maar dat systeem, zo toont Cassiers overtuigend, werd uitgevoerd en onderhouden door bereidwillige burgers. Zoals wij.

Mokerslag of stomp in de maag is deze sobere voorstelling niet. Maar de subtiele verkenning van het daderbrein beklijft. En Kesting achtervolgt je in je dromen.