Oude muziek: tijd voor een nieuwe aanpak

De pioniers van de oude muziek zijn overleden; hun ideeën moeten voortleven in innovatie, meent Xavier Vandamme.

Na Gustav Leonhardt en Frans Brüggen is ook Nikolaus Harnoncourt ons ontvallen. De oude muziek zoals we die nu kennen, met gespecialiseerde conservatoriumafdelingen, ensembles en concertorganisatoren, heeft opnieuw een van zijn founding fathers verloren.

De transformatie van de klassieke muziek die het drietal vanaf de jaren zestig in gang zette, is groot. Hun visionaire strijd voor een manier van musiceren die historische en contextuele elementen serieus neem t, is een gegeven waartoe elke hedendaagse klassieke musicus zich op een of andere manier dient te verhouden.

De invloedssfeer van Harnoncourts ideeëngoed reikt voorbij de grenzen van de vroege muziek, en tot op de bok van ons eigen Koninklijk Concertgebouworkest.

Het wegvallen van deze pioniers zet aan het denken over de toekomst van de oude muziek. Er is beweerd dat er onvoldoende opvolging zou zijn. Fundamenteler is de kritiek dat de beweging haar actualiteit verloor.

Het werk zou immers af zijn: alle goede oude muziek is boven water, iedereen weet hoe je een barokviool vasthoudt. Introspectie is inderdaad op zijn plaats. Is de strijd echt gestreden? Is de ongenuanceerde turbobarok die op onze internationale podia klinkt werkelijk het eindstation van de queeste naar oude muziek? En welk repertoire klinkt nu echt als we verder kijken dan de hoogbarokke hits van Bach en Händel?

Op de meeste Europese podia is de duizend jaar muziekgeschiedenis die aan de Weense klassieken vooraf gaat ondervertegenwoordigd. Middeleeuwen, renaissance, vroege barok? Alsof in onze musea geen Jeroen Bosch, Titiaan of Rembrandt te zien zouden zijn.

Wat de oude muziek als beweging zo sterk maakte, was haar revolutionaire potentieel. Misschien is die kleuring wat gedateerd geraakt. Maar de onderliggende vragen zijn meer dan ooit aan de orde. Hoe belangrijk vinden we het om onze culturele en maatschappelijke antecedenten te kennen en te delen? Hoe gaan we om met ons verleden? Hoe zetten we erfgoed op de agenda?

In het geval van de oude muziek is één ding zeker: wat op het podium tot stand komt is het tegendeel van een saaie bedoening.

Zoals de onlangs overleden Umberto Eco poneerde is elke omgang met het verleden in essentie een fictie: ons begrip van het verleden vloeit voort uit de projectie van hedendaagse wereldbeelden.

Zo gaan we met het verleden een fictionele dialoog aan. De oude muziek nodigt uit om die dialogen te vermenigvuldigen en te verrijken met een artistieke dimensie: de creatiedrang van musici van nu. Zo is de oude muziek de speeltuin voor een vrolijke scheppingsdrang.

Het brengt me bij de kern van mijn betoog. Als de oude muziek opnieuw een plek wordt van vragen in plaats van antwoorden, dan is het innovatieve potentieel oneindig. Het werkveld ligt open, er staat veel op het spel.

Daarom wordt het tijd voor een geactualiseerde agenda voor de oude muziek.

Waarom lijkt het nog steeds alsof muziek en beeldende kunst van twee verschillende planeten komen, terwijl de meerwaarde van een confrontatie zo evident is? Wordt het niet tijd om de emotionele kracht van historische theaterconventies te verkennen? Hoe versterken we innovaties binnen de uitvoeringspraktijk in een markt die onwillekeurig standaardisering privilegieert? Hoe vergroten we muzikale biodiversiteit?

De oude muziek is een laboratorium waar slimme denkers en doeners tot ver buiten de grenzen van de klassieke muziek inspireren en geïnspireerd raken. De beweging zal daarom kritisch en innovatief zijn – of zal niet zijn. Dit is een pleidooi voor het eerste. Een mooiere erfenis kunnen visionaire kunstenaars en pioniers als Harnoncourt zich niet wensen.