Het genie van wie het hoofd het niet meer deed

Jelle Brandt Corstius begrijpt recensies niet, golfde het woensdag door mijn timeline. Ik zat net te lezen in As in tas, het mooie boekje dat Brandt Corstius schreef over de fietstocht die hij maakte met een deel van de as van zijn vader Hugo (‘Doe maar een koffiekopje’). Het bevat geweldige herinneringen (‘Ik tel tot vijf en dan zetten we het op een lopen’ in een restaurant vóór de rekening), maar ook hele treurige aan de laatste maanden, toen Brandt Corstius, een genie met aanleg voor de slappe lach, razendsnel dementeerde. Tussendoor vertelt de zoon onderhoudend over de fietstocht, zonder er een geheim van te maken dat zijn vader zo’n reis vol symboliek totale flauwekul zou hebben gevonden.

Deze dingen hadden ook in een recensie kunnen staan (vier ballen!) maar dit stukje kan geen recensie zijn: ik ken Jelle Brandt Corstius een beetje en ik was bijzonder gesteld op zijn vader, voor Hugo was kennen het woord niet echt, geloof ik. Maar er zijn mensen die vader en zoon Brandt Corstius nooit hebben gesproken of gezien. Ik wil ook graag weten wat zij zouden vinden als ze As in tas lazen. Dat is een van de dingen waar een recensie voor is bedoeld: kijken wat er aan interessants te zeggen valt over een boek door iemand die verder niet veel met dat boek te maken heeft – en die wel vaker een boek leest.

Nu staat Jelle Brandt Corstius niet alleen in zijn onbegrip ten aanzien van de recensie. In het zeer instructieve themanummer van tijdschrift Boekman, geheel gewijd aan de kritiek, staat een onderzoekje waaruit blijkt dat lezers ongeveer evenveel waarde hechten aan een recensie als aan wat iemand in een talkshow over een boek zegt. Nu is dat laatste meestal een tip, wat precies aangeeft waarom kunstkritiek zo belangrijk is. Want hoe goed tips ook zijn, ze zijn altijd een bevestiging van wat er al is, een endorsement. Een goede recensie is een nieuw gezichtspunt – een vreemde gast in je timeline, zeg maar. En een kritiek kan de eerste stap zijn naar een betoog van iemand anders die uitlegt waarom de recensent van dienst er geen klap van heeft begrepen. Want niet alleen de aanprijzing van kunst helpt ons verder, maar ook het gesprek over wat de moeite waard is – en waarom. Overigens hecht twintig procent ‘redelijk veel waarde’ aan het oordeel van literaire krantenrecensenten en één procent ‘heel veel waarde’ – die laatste groep wil ik graag in zijn geheel ontmoeten.

Een van de beste stukken in Boekman gaat over iets anders, het is een hartstochtelijk pleidooi van Merlijn Olnon voor het academische essay, dat veel te weinig publicatiemogelijkheden heeft. Hij heeft gelijk (ook wat het literaire essay betreft) en hij mag het zeggen, want hij maakt sinds kort De Nederlandse Boekengids, die vol staat met scherpe boekenessays. Maar het probleem is niet alleen dat er weinig publicatiemogelijkheden zijn, maar ook dat er te weinig essays geschreven worden. Zie dit korte stukje. Zie de vele uitstekende korte stukjes van schrijvers op hun blogs. We moeten óók de lange baan op: het web is nog lang niet vol.

Maar vanmiddag zie ik Hugo Brandt Corstius voor me, het genie van wie het hoofd het niet meer doet, die, hoog op een duin tegen zijn zoon fluistert: ‘Dit is de laatste keer dat ik de zee zie.’

    • Arjen Fortuin