Hè, steunt de EU nu dictatuur in Eritrea?

De EU geeft weer hulp aan Eritrea. Om banen voor jongeren te scheppen, zegt minister Hennis. Volgens critici is het regime juist gebaat bij de slechte situatie.

Eritrese vluchtelingen, eerder deze maand bij het kamp in Calais. Vorig jaar vroegen ruim 7.300 Eritreeërs asiel aan in Nederland, op de vlucht voor het regime van dictator Isaias Afewerki. Foto Philippe Huguen/AFP

Deze maand kregen de inwoners van Hazega en Adibeney, even ten noordwesten van de Eritrese hoofdstad Asmara, stromend water. Op 3 maart werd de grote waterpomp, gevoed door zonne-energie, feestelijk in gebruik gesteld.

Schoon drinkwater voor de dorpelingen, dat is een belangrijke stap vooruit in het arme Eritrea. Geen wonder dat de Europese Unie graag financieel bijdraagt. „Investeren in hernieuwbare energiebronnen en beter bestuur zal bijdragen aan economische groei en het scheppen van banen voor jongeren”, zei minister Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD) woensdag in Straatsburg. Daar debatteerde het Europees Parlement over de relatie met Eritrea.

Niet iedereen deelt het optimisme van de minister, die sprak namens het huidige Nederlandse EU-voorzitterschap. Eritrea, aangeduid als het Noord-Korea van Afrika, is een eenpartijstaat waar armoede en totale onderdrukking hand in hand gaan. Jongeren moeten voor onbepaalde tijd hun nationale dienstplicht vervullen, er is geen vrijheid van meningsuiting en willekeurige opsluitingen en standrechtelijke executies zijn gewoon. Vermoedelijk worden in Eritrea misdaden tegen de menselijkheid begaan, concludeerden onderzoekers van de VN vorige zomer. Ze mochten het land overigens niet in.

Is het wel verstandig in zo’n land te investeren? Die vraag is actueel nu de EU eind januari tamelijk onopgemerkt een overeenkomst heeft gesloten met de regering in Asmara over hervatting van de meerjarige ontwikkelingssamenwerking – eerder door Eritrea zelf verbroken. Brussel trekt de komende jaren 200 miljoen euro uit voor investeringen in projecten voor duurzame stroom en voor, nota bene, het stimuleren van good governance: deugdelijk bestuur.

Minister Hennis-Plasschaert vindt die opstelling van „kritische betrokkenheid” met, om het zacht uit te drukken, een regime van twijfelachtig allooi heel goed te verdedigen. Niet isolement maar alleen dialoog biedt de mogelijkheid de noodzaak van democratische hervorming en het respecteren van mensenrechten over te brengen, zegt ze. Bovendien draagt de voorgestelde hulp bij aan de broodnodige sociaal-economische ontwikkeling in het land.

Dat laatste raakt de kern van de Europese hulp. Zo’n 400.000 Eritreeërs, bijna 10 procent van de bevolking, verblijft in de diaspora. In 2014 verdubbelde het aantal asielaanvragen van Eritreeërs in Europa naar ruim 47.000. Vorig jaar werd ongeveer hetzelfde aantal gehaald. De meesten (bijna 10.900 asielaanvragen in 2015) gaan naar Duitsland, Nederland (ruim 7.300) en Zweden. In Nederland waren Eritreeërs vorig jaar de grootste groep asielzoekers na de vluchtelingen uit Syrië.

Het buiten de deur houden van vluchtelingen is nu het adagium in Europa. Dat kan, als het om Eritrea (en andere Afrikaanse landen) gaat, het best door ter plekke banen te helpen scheppen. Een jaar geleden kondigde Europees commissaris Neven Mimica het hulppakket voor Eritrea daarom aan als instrument om de vluchtelingenstroom uit dat land te stoppen.

Nu het ten uitvoer wordt gebracht, tonen de critici zich bepaald niet milder. Sommigen wijzen erop dat corrupte Eritrese functionarissen de mensensmokkel zelf helpen organiseren, en dat het regime verdient aan de vluchtelingen door gedwongen belastingheffing in de diaspora.

„Een grove inschattingsfout”, vertolkte de Belgische Europarlementariër Mark Demesmaeker het wantrouwen van het parlement jegens Eritrea. „Ik zie geen enkele intentie bij de autoriteiten het lot van de bevolking te verbeteren. Meer Europees geld zal hen alleen maar in staat stellen hun dictatoriale, repressieve praktijken voort te zetten.”

Kubrom Dafla Hosabay, voormalig onderminister van Financiën maar nu oppositielid in de diaspora, vindt ook dat de EU een fout maakt. „Armoede is niet de reden waarom de jongeren weggaan”, zegt hij. „Als je 18 wordt of na de twaalfde klas op school, moet je de nationale dienstplicht vervullen. In militaire dienst, bij een ministerie of in welke baan ook die je krijgt toegewezen. Dan heb je geen eigen leven meer. Daarom vluchten de jongeren. Omdat ze geen adem meer kunnen halen.”

    • Wim Brummelman