Gedonder in een maf mini-landje

Tijdens het Weense Congres vergaten diplomaten een stukje Europa op de grens van Duitsland, België en Nederland onder te brengen. Die taartpunt bij Vaals bleef een eeuw overeind, zo blijkt uit twee boeken.

‘Had men vroeger gevraagd wat de kleinste staat in Europa is, duizend tegen één dat men Monaco, San Marino of Andorra geantwoord zou hebben. Niemand zou denken aan Moresnet, gelegen op de grens van Nederland, België en Pruisen. Eenige nadere bijzonderheden zullen den lezer waarschijnlijk niet onwelgevallig zijn.’

Het is een mooi bericht uit de Sumatra-courant van 8 maart 1887. We zullen het de redacteur op zijn buitenpost niet kwalijk nemen, maar Moresnet was eerder uitgebreid in de dagbladpers ter sprake gekomen. De Leeuwarder Courant besteedde namelijk al in december 1823 aandacht aan ‘deze kleine republiek, die sedert acht jaren bestaat, op de grensscheiding van het Pruisische en Zuid-Nederlandsche grondgebied. Het is het dorp Moresnet; de maire wordt jaarlijks door de inwoners herkozen, en bezit gedurende zijn magistraatschap eene souvereine magt.’

Het uiteinde van die minirepubliek raakte aan Vaals, dat zich van 1816 tot in de twintigste eeuw dus op een vierlandenpunt mocht beroemen. Maar eerlijk is eerlijk, ik had in 2016 nog nooit van Moresnet gehoord. Nu zijn er maar liefst twee boeken tegelijk over deze politiek-geografische anomalie verschenen. Philip Dröge schreef Moresnet. Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje, David van Reybrouck wijdde het boekenweekessay 2016 Zink aan dezelfde taartpunt. Hebben beide auteurs dubbel werk gedaan? Geenszins. Het zijn twee totaal verschillende boeken.

Napoleon

Het neutrale landje Moresnet is het resultaat van het Weense Congres (1814-’15), dat de Europese naties na Waterloo herindeelde. Het idee was deze zo te snijden dat elk land even sterk was, om een nieuwe Napoleon op voorhand uit te schakelen. De Verenigde Nederlanden (België incluis) zouden officieel tot 1839 hun bestaan danken aan deze opvatting. Toen elk volk zijn deel had genomen, bleek echter een miniem gebakspuntje over: Moresnet.

Kwestie van slordige cartografie? Overmatig Weense feesten en diplomatieke nathalzerij, zo suggereert Philip Dröge. En waar ging het tenslotte om? Een paar dorpen, een bos, een groeve. Men liet het maar even neutraal. Details kwamen later wel. Het was de groeve die dat deed duren. Deze lag nabij het dorp Kelmis, daar werd het veel gevraagde metaal zink gedolvenl. Het roest niet, je kunt er daken mee bedekken, scheepsrompen, het is goed voor emmers, badkuipen, etc.

Als Van Reybrouck in zijn essay zegt ‘De negentiende eeuw is de eeuw van zink’, denk ik meer aan stoommachines. Maar de uitvinding van een zuiverheidsmethode bij de winning maakte zink tot een belangrijke grondstof. En daar had onze koopman-koning Willem I een goede neus voor. De Pruisenkoning wilde geen concurrentie voor de (minder rijke) zinkgroeve in zijn eigen land. Neêrlands vorst was legendarisch koppig, zijn Pruisencollega hardhoofd nummer twee. Moresnet bleef dus bestaan. En groeide. Dat leverde problemen op, die na de zelfstandigheid van België na 1830 niet minder werden.

Het onduidelijk afgebakende Moresnet werd aanvankelijk dubbel bestuurd: door Pruisen en Nederland. Wilde men de grens over, dan betekende dat soms een verplaatsing van keuken naar huiskamer, of van de ene straathoek naar de andere. Een El Dorado voor de smokkelaar, denk aan suiker, zout of alcohol.

Moresnet was te klein voor een politiemacht – voor meer dan een koddebeier was geen ruimte. De staats- en strafrechtelijke status was onduidelijk, belastingplicht was verwaarloosbaar. Hoe moest je trouwen? Je had met je liefje al gauw een nationaliteitsprobleem, dienstplicht was eenvoudig te ontduiken – voor welk leger moest je vechten? Voor of tegen Pruisen (1870), voor of tegen België (1914)? En dan ook nog: Moresnet als boomtown met smokkel, en zink als gouden handel. Dröge legt een interessante parallel met de Amerikaanse frontier: drank (geen whisky maar jenever), prostitutie, het harde leven in een mijn (maar ook een zinkrush). Met een heus casino: Moresnet als Monaco. Dat zijn de negatieve aspecten.

Vrijheid wil ook wat, en zelfbestuur. Moresnet had langzaamaan een de facto status van onafhankelijkheid. Daar hoort een vlag bij, een volkslied, een postzegel, liefst een eigen taal. De eerste drie symbolen vinden we allemaal in de geschiedenis van Moresnet, de eigen taal is een ander ding. Men sprak er het neder-frankisch dialect Ripuarisch, een tongval van Vaals tot Aken en Keulen (en tegenwoordig zelfs erkend als Wikipediataal). Het was een (te) nadrukkelijke link met oosterbuur Pruisen. Nederlands was ook geen optie, en Frans was een soort bezetterstaal: het strafrecht in Moresnet geschiedde daarbij – bij gebrek aan eigen wetboek – op basis van de Code Napoléon, en die kon rigoureus uitvallen.

Toevallig of niet, een van de weinige Moresnet-bestuurders was een Esperanto-ijveraar. Een idealist, maar naast een vrijplaats voor misdadigers, belastingontduikers en dienstweigeraars biedt een ‘vrije republiek’ ook kweekgrond aan idealisten. Neutrale taal in een neutraal land: er wordt een Esperanto Kamer van Koophandel opgericht, de internationale beweging van deze lingua franca overweegt zelfs enige tijd haar centraal bureau naar het Moresnet-dorp Kelmis te verplaatsen. Het intussen verenigde Duitsland snijdt alvast de telefoonverbinding door.

Bovenstaande is een allergebrekkigste samenvatting van een labyrintisch uitwerkende vergissing bij de Europa herordening op het Weense Congres. Teveel gezopen, heren diplomaten? Natuurlijk was Moresnet een weeffoutje. Tegelijkertijd laat het in een notendop zien hoe ingrijpend de consequenties van zo’n foutje voor de betrokken burgers op termijn kunnen zijn.

Op dat laatste focust David van Reybrouck in Zink. Hij hanteert de persoonlijke invalshoek, methode pars pro toto. Zo volgt hij de aangrijpende lotgevallen van Kelmis-bakker Emile Rixen, je mag hem slachtoffer noemen van de vage Moresnet-nationaliteit. Van Reybrouck trekt er deze conclusie uit : ‘Verbrijzelen. Verpulveren. Smelten. Pletten, trekken, walsen. Wat doet de geschiedenis al niet met een mensenleven?’ Een tikje over the top misschien.

Parmantig literair

Wat Van Reybrouck over de geschiedenis van Moresnet vertelt is in alle beknoptheid best helder, maar de toon waarop is nogal parmantig literair en soms sentimenteel. Hij laat een vrouw een blik in de open mijn te Kelmis werpen: ‘In de diepte ziet ze het water, het donkere, doodse water. Er is nog een andere wereld in dit dorp, een onderwereld. Er wordt zoveel gedronken. Er wordt zoveel gesmokkeld. Er komen zoveel misdadigers naartoe.’

Van geheel andere allure is Philip Dröge’s Moresnet. Zoals in zijn eerdere boek over de uitbarsting van de vulkaan Tandora op het eiland Soembawa (1815), bedrijft hij ook hier weer historische schakelvertelkunst van het hoogste niveau. Dröge sleept op overtuigende wijze randgebeurtenissen naar het centrum van zijn belangstelling. In Moresnet gaat dat van Napoleons geliefde zitbad, een filatelistenstrijd te Parijs, tot een vergeten zeeslag op het Tanganyikameer in de Eerste Wereldoorlog, en steeds weer terug naar Kelmis. Dat het neutrale Moresnet ophield te bestaan – het werd in 1920 door België geannexeerd – mag de Dröge-lezer betreuren, maar zonder twijfel is deze bevlogen historieschrijver alweer voor een volgend meesterlijk boek in de archieven gedoken.