Draag deze monoloog nu eens voor als nijlpaard?

Het vorig jaar verschenen Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest was bij uitstek het boek dat je boeken hatende scholieren zou moeten geven: tien tegen één dat je het nooit meer terugkrijgt. In deze autobiografische roman over zijn jeugd op het terrein van een psychiatrische kliniek (zijn vader was er geneesheer-directeur) toonde Joachim Meyerhoff zich een onvermoeibare komiek, maar tussen de grappen door ontroerde hij de lezer met de tragedie in zijn leven, het vroege verlies van zijn broer en zijn vader. Al herinneringen ophalend slaagde hij er ook nog in een bezonken visie op die herinneringsactiviteit te ontwikkelen, zonder meteen als een schrijver op leeftijd te klinken.

Meyerhoff (1967) is een in Duitsland bekende acteur. Hij trad als verteller op in een persoonlijke, zesdelige theatercyclus, waarvan de romancyclus Alle Toten fliegen hoch de schriftelijke neerslag is. Deel een wordt volgend jaar vertaald, deel twee draagt de hierboven genoemde titel, en nu is deel drie in vertaling verschenen: Ach, deze leegte, deze verschrikkelijke leegte. Daarin volgen we de verteller, Joachim, tijdens zijn opleiding aan de toneelschool in München. Het is hem een raadsel waarom hij zich heeft aangemeld en, na een prachtige auditiescène, een nog groter raadsel waarom hij is aangenomen.

Als acteur in opleiding blijkt hij hopeloos. Door de spraakles krijgt hij een hekel aan zijn stem; als hij zich op zijn ademhaling concentreert, krijgt hij geen lucht meer. Hij blokkeert als hij zich moet ontspannen. Schaamte vervult hem bij opdrachten als ‘glimlachen met je tepels’ en ‘draag een monoloog uit Effi Briest voor als nijlpaard’. Daarbij brengt het lichamelijke contact hem in verwarring: ‘Onophoudelijk werd je gemasseerd en masseerde je anderen, of je lag bij improvisaties onder of op iemand.’

Zijn grootste frustratie is dat hij op het toneel niet kan huilen. Dat hij ondanks allerlei trucs met droge ogen op het toneel staat is des te wranger omdat hij in het echte leven, denkend aan zijn omgekomen broer, zijn kussen nat huilt.

Vanwege de woningnood in München woont Joachim bij zijn grootouders in een deftige wijk. Twee totaal verschillende milieus: ‘Enerzijds de toneelschool, die me [...] een ongewisse toekomst binnenschopte, en anderzijds de door en door bekende wereld van mijn grootouders, die [...], in hun schitterende huis in Nymphenburg betrouwbaar als twee waardevolle klokken voor zich uit tikten.’

Het leven van de grootouders – een katholieke filosoof en een gewezen actrice, een echte diva – wordt beheerst door onwrikbare rituelen, waarin alcohol een centrale rol speelt. Van twee glazen champagne bij het ontbijt via de witte wijn bij het middageten, de whisky van zes uur (‘al vanaf vijf uur keken mijn grootouders voortdurend op hun horloge’) en de rode wijnen bij het avondeten, naar de Cointreau voor het slapengaan.

Onder Meyerhoffs handen groeien de grootouders uit tot prachtige Dickensiaanse karikaturen, maar de auteur blijft niet steken in het uitbuiten van de humoristische mogelijkheden van zijn personages. Hij verleent ze een tragische achtergrond én een tragische ontwikkeling: aan het eind takelen beide grootouders, ver in de negentig, snel af, een proces dat pijnlijk scherp beschreven wordt.

De opvallendste kwaliteit van Ach, deze leegte, deze verschrikkelijke leegte (een citaat uit Goethes Werther) is toch de enorme grapdichtheid, waarbij het zowel om taalhumor gaat als om situatiehumor. Daarnaast is Meyerhoffs taalgebruik buitengewoon inventief, met veel verrassende beeldspraak.

Eigenlijk is het enige wat je op dit boek kunt aanmerken dat Meyerhoff te veel moeite doet. Met een stroom vernuftigheden, grappen en vondsten wekt hij de indruk de lezer te willen bewerken. De paradox wil dat een iets vlakkere toon oprechter, authentieker overkomt. Hij schrijft ergens dat zijn toneelopleiding ertoe heeft geleid dat hij zich voortdurend van zichzelf bewust is: hoe ziet hij eruit, hoe klinkt hij? Ook als auteur lijkt hij te veel met zijn publiek bezig – te bang het te vervelen, vooral.

Een roman over de toneelwereld mag theatraal zijn, maar met iets minder effectbejag was het effect nog groter geweest. Het is door Meyerhoffs neiging tot epateren dat deze roman uiteindelijk niet de beheerste, waardige indruk van een meesterwerk achterlaat – maar er zijn meesterwerken waarmee ik me veel minder heb vermaakt.