‘Don’t mention the war’ – vergeet het maar

Nederlandse uitgevers hebben geen Boekenweek- Schwerpunkt nodig om Duitse boeken te laten vertalen. Het aanbod is groot. Zowel de klassieken als debutanten krijgen hier ruim baan. En er is een meesterwerk waargenomen.

Illustratie Joost Hölscher

De eerste keer dat ik Duitsland bezocht was ik niet eens toerist. We waren onderweg naar vrienden in Nijmegen, maar hadden de juiste loop van de treinen naar het oosten niet in het vizier. Ineens waren we in Emmerich, vanwaar we snel de trein terug namen. We gingen liever naar het zuiden, wat eind jaren zeventig een ideologische (en ook wel culinaire) keuze was. Inmiddels wonen sommige van mijn beste vrienden in Duitsland en weet ik de weg in Eifel, Harz en Sauerland.

Maar door het thema van de Boekenweek voel ik me toch weer een lezer die in zijn wagon heeft zitten suffen en op een verkeerd station is beland: want wat weet ik nu helemaal van de hedendaagse Duitse literatuur? De dode mannen, de oude mannen en de Oostenrijkse mannen las ik met soms hysterisch enthousiasme: Broch, Mann, Kleist, Grass, Zweig, Kafka, Roth, Rilke, Fallada, Heine, Thelen, Keilson. (En op de volledig ongelezen Man zonder eigenschappen verheug ik me al jaren.) Maar bij de levenden sukkel ik in de achterste wagon: Süskind, een paar Handkes, één Jelinek, Schlink, Kehlmann en Charlotte Roche (ja, van de Vochtige streken, uit journalistieke interesse uiteraard). Deels kan ik me er ter verdediging op beroepen dat ik voor mijn werk druk ben met Nederlandse literatuur, maar al met al is het bovenstaande geen lijstje om zomaar in de krant te zetten. Toch lijkt ook in het aanbod van Duitse vertalingen rondom de Boekenweek de gedachte te hebben postgevat dat de beste Duitser een dode Duitser is. Ik zag nieuwe vertalingen van Hermann Hesse, Robert Walser, Alfred Andersch en de duizend pagina’s dikke klassieker Groene Heinrich van Gottfried Keller. Voeg daarbij de heruitgaven van Alfred Döblin, Heinrich Böll, Günter Grass, Faust en Lotte in Weimar.

Schijnbewegingen

Ter verdediging van de Nederlandse uitgevers: ze zijn wat de nieuwe Duitse literatuur aangaat redelijk ‘bij’ en hebben over het algemeen geen Boekenweek-Schwerpunkt nodig om Duitse literatuur te vertalen. Zie de stukken over Jenny Erpenbeck en Joachim Meyerhoff elders in deze bijlage. Voor later dit jaar staan de twee meest recente winnaars van de Deutscher Buchpreis op het vertaalprogramma: Kruso van Lutz Seiler en de alleen al om de titel spectaculair ogende roman Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch depressiven Teenager im Sommer 1969 van Frank Witzel. Een van die Nederlandse uitgevers, Christoph Buchwald ( uitgeverij Cossee), verzamelde zijn persoonlijke canon in Gute Nacht Freunde. Duitsland in vijfentwintig boeken. Dat is een handzame, ook door de doden gedomineerde, leeslijst vol mooie tips – al staan er veel boeken in die Buchwald zelf heeft uitgegeven. Aan een grote greep waagt hij zich niet.

Ik besloot me, als literair toerist voorbij Emmerich, dan maar te richten op wat ook voor de Duitsers zelf nieuw is: de debuten van Kristine Bilkau, Per Leo en Mirna Funk. Plus een oude novelle van Leonhard Frank. Daarbij was ik van plan mijzelf een stringent don’t mention the war op te leggen – het moet toch mogelijk zijn om 71 jaar na dato niet meteen in de netten van dat verleden verstrikt te raken. Dat bleek een hoogst naïeve gedachte, die alleen in De gelukkigen (Die Glücklichen) van Kristine Bilkau (1974) vol te houden was. Haar debuut is het verhaal van een celliste en een journalist met een eenjarig zoontje dat bijna doorslaapt. Ze leiden een klassiek progressief-burgerlijk leven; in een Nederlandse roman hadden ze een bakfiets gehad. Nadat het lot eerst een paar schijnbewegingen heeft gemaakt (de hand van Isabell trilt tijdens het spelen, Georg vreest ontslagen te worden) wordt het geluk langzaam afgebroken.

Bilkau heeft oog voor herkenbare taferelen, zeker voor ouders die weleens een babykamer zijn uitgeslopen in opperste angst voor een krakende vloerplank die het kind weer resoluut uit zijn pas verworven dommel zou halen. Of, trefzeker over onzekerheid: ‘na hoeveel maanden huur zou hij in het rood gaan als hij geen baan meer had, vraagt hij zich af en rekent het even na.’ Ongemak verkeert in onheil, overigens zonder dat dat onheil echt onoverkomelijk wordt. Heel spectaculair is De gelukkigen niet, maar dat is misschien precies wat Bilkau wil zeggen. De brandkast die Isabell tijdens een schilderklus ontdekt, verandert hun leven niet.

Grote dromen

Daar zit de harde kern van De gelukkigen. Ergens tussen het moment waarop Georg woedend wordt ‘op alle dromen onder deze daken’ en, even verder, dat waarop hij zich realiseert dat hij meende ‘aanspraak te kunnen maken op zekerheid’. Van alle menselijke verlangens is zekerheid wel het minst tot de verbeelding sprekende – het is haast de afwezigheid van verlangen. Zo plaatst Bilkau haar personages precies op het grensvlak van het leven met en zonder grote dromen, waarbij je werkelijk niet kunt zeggen wat je Georg en Isabell nu moet gunnen.

In een vergelijkbaar luchtledige hangt de hoofdpersoon van Vloed en bodem (Flut und Boden), de debuutroman van Per Leo (1972). Ook deze man heeft niets groots om handen. Maar de titel verraadt het al – hier kan de oorlog niet ongenoemd blijven. In zekere zin is het een derde-generatie-oorlogsroman: de verteller reconstrueert het oorlogsverleden van zijn grootvader, die bij de SS zat. Opmerkelijk is daarbij iets wat in het begin van het boek staat. Daar beschrijft de hoofdpersoon, die zich gevoelsmatig in de eerste plaats gebonden weet aan zijn liefde voor voetbalclub Werder Bremen, welk gevoel het zetten van de eerste stappen in zijn familie-onderzoek hem geeft. Wat begint als een gezelschapsspel, ‘eigenlijk was het niets anders dan het spelletje patience aan het eind van de dag’, wordt een queeste naar betekenis die het dagelijks leven niet echt kan bieden: ‘Van andere nutteloze spelletjes verschilde dit alleen doordat er een vage kans was op een grote winst, zonder dat ik zou hebben geweten hoe die eruit zag en waar ik die had kunnen ophalen.’

Dat is interessant: waar de klassieke tweede-generatieroman zo is opgebouwd dat het spook van het verleden de naoorlogse gelukkigen bestormt, is het hier andersom. In Vloed en bodem gaat de held op zoek naar het oorlogsverleden van zijn grootvader, omdat dat, op zichzelf beschamende, verhaal kennelijk beter is dan géén verhaal. De vergelijking met de brandkast in Bilkaus roman ligt voor de hand. Per Leo breekt het familieverleden open, om maar aan de betekenisloosheid van het heden te ontkomen, een gedachte die bij de helden in De gelukkigen niet op zou komen. Niet dat die breekzucht in het geval van Vloed en bodem een erg bijzondere roman oplevert. Het is vooral een evenwichtig boek geworden, met opzienbarende, maar ook erg voor de hand liggende passages – inclusief de observaties over wat het onderzoek met de onderzoeker doet. Bij vlagen doet het denken aan HhhH van de Fransman Laurent Binet, maar zonder diens brille.

In Mirna Funks Winternabijheid, ook een debuut, is de oorlog een geintje. Op Facebook verschijnt een foto van Lola, de heldin van het verhaal, met een Hitlersnorretje onder haar neus getekend. Het leidt tot een proces waar Lola, joods, zelf verschijnt met een Hitlersnor. Even later belandt ze in een gesprek waarin ze theorieën moet aanhoren over ‘de hersenspoeling waaraan ze ons Duitsers sinds het einde van de oorlog onderwerpen. Altijd moeten we ons schuldig voelen. Wat heb ík ermee te maken wat mijn grootvader heeft gedaan.’ Funk laat Lola kort na die discussie onder tafel kruipen om haar speciaal daartoe per sms opgetrommelde vriend Benjamin te pijpen.

Funk (1981) heeft wel een onderwerp te pakken, maar ze laat haar karakters praten in clichés en knoopt de gebeurtenissen houterig aan elkaar, met al te opzichtige verwijzingen naar moderne media (Nietzsche op de iPhone). Dat zet zich voort wanneer Lola inmiddels naar Israël is vertrokken en daar geconfronteerd wordt met de Gaza-oorlog. Daar overwegen Israëliërs naar Berlijn te gaan, Lola zelf belandt in Bangkok. Daarmee schetst ze de tragiek van de alsmaar dóórgaande diaspora, maar die wordt overstemd door haar monotone stijl.

De tegenstelling met Per Leo’s Vloed en bodem is helder: bij Leo probeert de eenentwintigste-eeuwse Duitser levenslessen uit het oorlogsverleden te peuren, zijn afstamming van de daders biedt hem een welkome kans op loutering. Bij Lola, verwant aan de slachtoffers, levert het verleden ‘gewoon’ nog steeds het gevoel op opgejaagd te zijn. Zij hoeft haar familiegeschiedenis niet te zoeken, die weet haar wel te vinden. Zelfs de denkbeeldige zekerheid uit De gelukkigen is voor haar niet weggelegd.

Ook de novelle van Leonhard Frank gaat over gezinszekerheid (en oorlog), maar hier past eerst een bekentenis. Karl en Anna is geen eenentwintigste-eeuws debuut en het is strikt genomen zelfs geen Boekenweekuitgave: het verscheen al in september vorig jaar. Het is wel Duits. Uit 1926. En het is te schitterend om het in dit stuk ongenoemd te laten.

Liefste op aarde

Frank (1882-1961) vertelt over twee krijgsgevangenen, denkelijk uit de Eerste Wereldoorlog, die ergens in een steppe zinloos graafwerk moeten doen. In het maandenlange samenzijn vertelt Richard alles over het leven met zijn Anna aan de vrijgezelle en goedhartige Karl. Dat laat deze niet onberoerd: ‘Als ze nu hier was, jouw vrouw, Richard, zou je dan, zeg maar, zou je haar dan één keer aan mij gunnen’ – let ook op de prachtige twijfelspraak die Frank deze Karl in de mond legt. Dan wordt Richard op transport gezet. Karl ontsnapt en zet koers naar de vrouw die in zijn verbeelding al de liefste op aarde is geworden. Daar doet hij of hij Richard is, ze lijken een beetje op elkaar. Anna trapt daar niet in, maar via een paar subtiele ingrepen weet Frank de zaak zo te draaien dat de twee elkaar toch vinden in een volkomen logisch en liefdevol samenzijn.

Als je het leest (natuurlijk keert Richard terug) denk je onwillekeurig aan de hoofdpersoon uit De gelukkigen, die meende recht op zekerheid te hebben. In Karl en Anna wordt het grootste geluk stellig gevonden in de wetenschap dat niets zeker is: Anna weet zelfs niet wie Karl is. Misschien is het juist de alomtegenwoordigheid van onzekerheid in hun leven dat hun liefde zo gelukkig is. Karl en Anna is een kleine roman vol betekenis over kleine dromen en groot geluk – dan hoef je geen oorlog meer te noemen.