Dodelijke notities over tal van generatiegenoten

Uitgever, journalist, biograaf van Tucholsky, Heine en Marx, schrijver, kunstverzamelaar, dandy, mannen- en vrouwenversierder, Porscherijder. In het naoorlogse Duitsland was Fritz J. Raddatz het allemaal. Zijn dagboeken weerspiegelen dat ‘extensief geleefde leven’, zoals hij het zelf noemde. Bij hun verschijnen werden ze ‘de sociale roman van de Bondsrepubliek’ genoemd. Bijna iedereen die er in Duitsland toe doet of deed, wordt genadeloos neergezet.

Raddatz (1931-2015) heeft een scherp oog voor narcistische schrijvers, liegende politici, laffe hoofdredacteuren en dronken persbaronnen, die hij met veel humor en zelfspot kritiseert. Vooral Helmut Schmidt en Marion Dönhoff, zijn bazen bij weekblad Die Zeit, waar hij jarenlang chef van de cultuurbijlage was tot hij – om een foutje over Goethe – werd ontslagen, krijgen ervanlangs. Schmidt is voor Raddatz een typische modelnazi die zijn verleden heeft weggemoffeld. De kille Dönhoff heeft hem nooit kunnen overtuigen van haar weerzin tegen de nazi’s en haar banden met het verzet rond graaf Stauffenberg.

Zijn giftigste pijlen richt hij op kranteneigenaren Bucerius (Die Zeit) en Augstein (Der Spiegel). Zij scheppen op over hun verzetsdaden onder Hitler, die er nooit zijn geweest. Miljardair Bucerius heeft voor zijn redacteuren zelfs nooit pensioenpremies afgedragen. Dat gedrag komt volgens hem voort uit de nazimentaliteit, waarmee zijn hele generatie is besmet.

Vermakelijk is zijn kritiek op schrijvende vrienden als Günter Grass en Walter Kempowski. Ze doen niets anders dan klagen over hun vermeende gebrek aan roem en aandacht. Ze zijn alleen in zichzelf geïnteresseerd en zien Raddatz als hun slaaf, die in zijn recensies die roem moet aandragen.

Alleen Hitlerbiograaf Joachim Fest komt er in deze ontluisterende dagboeken goed vanaf. Als conservatief is hij in alles de tegenpool van de linkse Raddatz, maar hij is eerlijk, beleefd en vooral zichzelf.