De nachtopvang is rustig, de straat loopt vol

Het aantal daklozen is sterk gestegen, aldus de jongste statistiek. In de Amsterdamse nachtopvang is dat niet te zien.

Foto ANP/ROBIN UTRECHT

Kathleen Denkers kent alle bezoekers bij naam. De coördinator van inloophuis Makom in De Pijp groet iedereen die binnenkomt met de voornaam. Bas, John, Tim, Terry. „Hoe gaat het met je?”, zegt ze opgewekt bij elke binnenkomer. De namen worden genoteerd, de daklozen pakken een bord van de stapel. Door naar de eetzaal, op naar de gratis maaltijd. Rijst met kip en groente, gekookt door ex-dakloze Youssef. Voor zo’n 120 mensen. „Dat is echt een verschil met enkele jaren geleden”, vertelt Kathleen.

Ook in Amsterdam lijkt de toename van het aantal daklozen waar het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige week over berichtte een feit. Volgens de laatste cijfers zouden de aantallen in Nederland voor het zesde jaar op rij zijn toegenomen, in de vier grote steden zelfs verdubbeld: van 6.000 naar 12.000. Vooral een nieuwe groep van zogenoemde ‘economische’ daklozen lijkt daarvoor verantwoordelijk. Het gaat dan om mensen die het vóór de economische crisis min of meer redden, maar daarna over het randje zijn gevallen.

Die groep is niet altijd direct dakloos. Een deel heeft vaak nog wel een netwerk met een bank om op te slapen. Of de auto biedt een mogelijkheid om van de straat te blijven. Maar op enig moment houden die opties op, waarna ze toch op straat eindigen.

Dubbele klap

Bij stichting De Regenboog, waarvan Makom en acht andere inlooppunten deel uitmaken, herkennen ze de toename. Sinds 2012 nam het jaarlijkse aantal individuele bezoekers met duizend toe, tot 5.700. Een groot deel van deze nieuwkomers is slachtoffer van de economische crisis. Maar heel precieze cijfers ontbreken. Juist daklozen blijven gemakkelijk buiten het zicht van autoriteiten.

Willem werkte in Aalsmeer, bij een bloemenhandelaar. „Kom ik daar op een dag, is de deur dicht. Het bedrijf was failliet.” Daarna bleek ook nog dat de jongen bij wie hij inwoonde de huur al een tijd niet had betaald. Een dubbele klap. „We moesten allebei weg. Daardoor kwam ik op straat te staan.”

In tegenstelling tot De Regenboog zien de gemeente Amsterdam en de ‘laagdrempelige opvang’ van het Leger des Heils geen sterke toename van ‘economisch daklozen’. Volgens hen neemt de druk op de nachtopvang niet toe. De extra bedden in de winter zijn dit jaar niet populairder dan voorgaande jaren. Ook spreken zij over een min of meer constante hoeveelheid daklozen in Amsterdam. Die zou volgens de gemeente rond de 350 liggen. Van hen zou ongeveer de helft buitenslapen, behalve in de winter.

Die winteropvang is niet per se een goede graadmeter. Niet elke dakloze kiest als het koud is voor georganiseerd nachtopvang. Zo woonde Terry, vertelt hij tijdens de maaltijd in Makom, maar liefst 25 jaar op straat, zonder ook maar één keer naar de opvang te gaan. Kathleen: „Ik werd bijna boos op hem als het vroor. Ik dacht, morgen is hij dichtgevroren.”

Willem begrijpt wel dat veel daklozen niet naar de nachtopvang willen. „Goed dat het er is, maar die plek wens je je ergste vijand niet toe.”

Volgens hem is het er onrustig, met veel dronken bewoners. Bovendien verblijven er relatief veel Oost-Europeanen, die slecht Nederlands spreken. Daar moet hij niks van hebben. Dakloze Hans valt hem bij: „Er wordt ook veel gestolen. Bij mij stonden ze een keer middenin de nacht over me heen gebogen, om een tientje uit m’n zak te pakken.”

Daarom verkiezen velen toch de straat, waar de aantallen volgens Hans en Willem wel degelijk groeien. Volgens Hans zijn de gevolgen daarvan goed zichtbaar, en groter dan de gemeente denkt. „Het wordt echt drukker ’s nachts. Je ziet meer mensen slapen in parken of naast snelwegen.”