100 miljoen overschot: een vloek of een zegen?

Is het overschot van de gemeente knap of juist een risico. De Rotterdamse Wethouder Visser en de Rekenkamer zijn het oneens.

Aan welke posten hield de stad in 2015 zoveel geld over?

97,1 miljoen euro. Zoveel geld heeft de gemeente Rotterdam minder uitgegeven dan zij begroot had voor 2015, schreef verantwoordelijk wethouder Adriaan Visser (Financiën) afgelopen maand aan de raad. Tijd om de champagne te ontkurken? Visser is de eerste om de prestaties van het college te relativeren. „Het is niet ons doel om winst te maken. Het klinkt gek, maar wij willen ons geld juist uitgeven. We zijn geen Unilever.”

Bovendien is ruim 20 miljoen euro van dit bedrag bedoeld om verlate facturen van de jeugdzorg mee te betalen. Sinds 2015 zijn gemeentes namelijk zelf verantwoordelijk voor de inkoop hiervan, maar nog niet alle jeugdinstellingen hebben hun administratie op orde. Veel rekeningen voor werk in 2015 worden daarom pas later verstuurd.

Visser weet nog niet hoeveel dat precies gaat kosten, maar stelt gerust: „Als er voor meer dan 21 miljoen aan facturen binnenkomt, dan hebben we daar een extra reserve van tientallen miljoenen voor.” Al met al verwacht de wethouder – inclusief deze verlate facturen en andere naheffingen – een beperkt positief resultaat. „We zijn in die zin heel netjes aan het financieren.”

Véél te optimistisch

Toch klinkt er kritiek op de begroting, en wel van Paul Hofstra. De directeur van de Rekenkamer Rotterdam ziet namelijk dat de begroting ook zo positief uitpakt omdat er van tevoren ‘forse ramingsbijstellingen’ zijn begroot voor onder meer personeelskosten, de bijstand en de participatiewet. „Zo kan ik het ook. Eerst veel toevoegen en achteraf zeggen dat het meevalt. Dat verklaart voor een groot gedeelte het overschot. Had het college beter begroot, dan was die 100 miljoen er grotendeels niet geweest.”

Vooral voor personeelskosten is heel ruim begroot, wat vermoedelijk een reflex is op vele jaren waarin de gehoopte financiële gevolgen van reorganisaties veel positiever werden ingeschat dan gerealiseerd werd. „Het college was daar altijd véél te optimistisch over, wat elke keer forse tekorten opleverde. Nu blijkt dat er juist te veel geld is vrijgemaakt.”

Wethouder Visser ziet dat anders. Hij is juist trots op het relatief kleine overschot van 97 miljoen op een begroting van 3,5 miljard euro. „Dat is slechts 2,8 procent van het totaal. Bovendien zat er in 2014 nog 114 miljoen tussen. Dat vind ik als wethouder financiën een keurig resultaat.”

Ruimere jas

Rest de vraag: waar is het geld vandaan gehaald om de begroting sluitend te krijgen, ook al was niet heel het bedrag nodig? Draconische bezuinigingen op andere onderdelen? Volgens Visser is dat niet het geval. Het verschil tussen inkomsten en uitgaven komt namelijk grotendeels uit het weerstandsvermogen, de buffer die de gemeente kan aanwenden bij onverwachte tegenslagen.

„We kiezen er bewust voor om twee jaar meer uit te geven dan er inkomsten zijn”, vertelt Visser. Dat verschil komt uit het weerstandsvermogen. In 2015 stond de teller hiervan nog op 199 miljoen euro. Vervolgens gaat het twee jaar onder de afgesproken ondergrens van 160 miljoen, om deze collegeperiode daar weer op te eindigen. Visser: „Die afname vind ik niet problematisch. Sterker nog: ik vind het verstandig. We hebben te maken met de resten van de economische crisis waar deze gemeente zwaar last van heeft gehad. Gelukkig gaan we de komende jaren iets ruimer in ons jasje zitten.”

Rekenkamer-directeur Hofstra is niettemin geen voorstander van de manier waarop het college het weerstandsvermogen inzet. “Het weerstandsvermogen is enkel bedoeld voor uitzonderlijke risico’s, niet voor posten die je scherp en goed kunt ramen. Alleen doet ook dit college dat niet.”