Zo’n middel kan iedereen wél betalen

Met biosimilars komen voor miljarden mensen betaalbare geneesmiddelen beschikbaar. In Utrecht wordt daaraan gewerkt, samen met de Wereldgezondheidsorganisatie.

Grote farmaceutische bedrijven negeren armere landen, omdat de marges daar veel lager zijn. Twee miljard mensen hebben daardoor geen toegang tot geneesmiddelen. Foto Getty Images

Op een zondagmorgen kreeg biotechnoloog Huub Schellekens een telefoontje van de Spaans-Argentijnse fabrikant Hugo Sigman, met wie hij al lange tijd werkte aan een geneesmiddel. „Hugo vroeg: welke naam moet ons middel krijgen? Naast mij aan de ontbijttafel zat mijn driejarige kleindochter Luna aardbeien te eten. Dus ik zei: we vernoemen het middel naar Luna.”

Lunamab is de naam van een goedkoop geneesmiddel in wording tegen een virusziekte waaraan jaarlijks tienduizenden baby’s in ontwikkelingslanden overlijden. Vier lokale medicijnfabrikanten in onder meer Saoedi-Arabië en Brazilië gaan het middel maken, samen met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Universiteit Utrecht. De zes partijen tekenden daarvoor woensdag een akkoord.

„Het is de eerste keer dat commerciële partijen in ontwikkelingslanden zelf een gezondheidsprobleem aanpakken”, zegt Schellekens, hoogleraar farmaceutische biotechnologie aan de Universiteit Utrecht. Sigman voegt er aan de telefoon aan toe: „Dit is hopelijk het begin van een nieuwe manier van geneesmiddelenproductie. Nu nog krijgen veel patiënten geen medicijnen, doordat die onbetaalbaar zijn. Als we erin slagen medicijnen veel goedkoper te maken, kunnen meer mensen geholpen worden.”

De beperkte toegang tot medicijnen is een van de grote gebreken van de wereldwijde productie van geneesmidden. De grote bedrijven – Big Pharma – richten zich voornamelijk op de markten in de rijke landen, waar bijvoorbeeld meer dan twintig cholesterolremmers te koop zijn. Big Pharma negeert grotendeels de armere landen, omdat daar de marges veel lager zijn. Twee van de zeven miljard mensen hebben daardoor geen toegang tot geneesmiddelen

De afgelopen decennia is die situatie wel verbeterd door de opmars van generieke geneesmiddelen. Dat zijn kopieën van de oorspronkelijke merkgeneesmiddelen, die concurrenten na afloop van het patent kunnen maken. Deze generieke middelen kosten vaak maar 10 procent van de oorspronkelijke prijs.

De opkomst van goedkope alternatieven stokt echter door de explosieve groei van biologische geneesmiddelen. Dat zijn geneesmiddelen die worden gemaakt uit of met levend materiaal – veelal cellen. Het is mogelijk die middelen na te maken, zogeheten biosimilars, maar dat vergt veel kennis en hoogwaardige productiecapaciteit. Die hebben farmaceutische fabrikanten in ontwikkelingslanden doorgaans niet, terwijl de import van biosimilars veel te duur is.

De Wereldgezondheidsorganisatie wil dit probleem aanpakken en heeft de eerste kaarten gezet op een biosimilar van palivizumab. Dat middel, dat staat op de lijst van ‘essentiële geneesmiddelen’, beschermt tegen het RS-virus. Dit verkoudheidsvirus is na malaria de belangrijkste oorzaak van sterfte onder kinderen tot één jaar. Kwetsbare baby’s, zoals te vroeg geboren kinderen met onrijpe longen, krijgen daarom preventief een maandelijkse injectie met palivizumab. Dit middel kost echter 7.000 dollar per behandeling.

‘Geen rocket science’

Voor een goedkope versie benaderde de WHO in 2013 Schellekens, die in zijn laboratorium vaker biosimilars heeft gemaakt. „Het lukte ons vrij snel om palivizumab na te maken”, zegt Schellekens. „Dat is trouwens geen rocket science.” Wel ingewikkeld en lang is de weg om de werkzame stof uiteindelijk op de markt te krijgen, inclusief registratieprocedures en klinische studies

Die weg is ook duur. „Met de opbouw van de productiefaciliteiten meegerekend kom je op een investeringsbedrag van 30 tot 40 miljoen dollar”, zegt Sigman. Hij stapte in nadat de voorgenomen financiering door twee liefdadigheidsinstellingen, waaronder die van Bill en Melissa Gates, was afgeketst. „Ik had een lunch met Hugo in Parijs”, zegt Schellekens, die bedrijven van Sigman adviseert. „Na tien minuten zei hij al: ik doe het. Hij besloot zich garant te stellen en de eerste investeringen te betalen.”

Sigman doet mee via mAbXience, een onderdeel van zijn conglomeraat dat zich richt op ‘acces to medicine’. De Universiteit Utrecht heeft een stichting opgericht, UCAB, waarvan Schellekens – vooralsnog onbezoldigd – directeur is. Samen ontwikkelen zij Lunamab, dat eind 2017 in de eerste landen op de markt moet komen. „Maar het kan ook nog wel drie, vier jaar duren”, denkt Sigman.

De introductie van een geneesmiddel is namelijk tijdrovend en bij palivizumab wordt ook gepionierd met een nieuw verdienmodel. Normaal gesproken koopt een farmaceutisch bedrijf een veelbelovend patent en betaalt vervolgens de gehele ontwikkeling, van de eerste klinische studies met proefpersonen tot en met de toediening aan de patiënt. De kosten zijn daarbij zo hoog dat alleen farmareuzen die kunnen dragen – maar de baten zijn nog veel hoger doordat Big Pharma in principe elke prijs kan vragen.

Bij palivizumab wordt deze keten in tweeën geknipt. mAbXience en UCAB zorgen dat het middel wordt geregistreerd bij de EMA, de Europese instelling die beslist over toelating van middelen. „Daarvoor doen wij hier in het Universitair Medisch Centrum Utrecht de klinische studies, waaraan zo’n 2.000 patiënten zullen meedoen”, zegt Schellekens.

Vervolgens dragen beide partijen het ‘pakket’ met technologie, kennis en goedkeuringsstempel over aan de fabrikanten die het middel gaan produceren. „Ze betalen naar rato van de omvang van de markt die ze gaan bedienen”, zegt Schellekens. „Onze partner in Taiwan, die zich richt op Oost-Azië, zal meer betalen dan onze partner in Saoedi-Arabië.”

Vertragingstactieken

Door de registratie bij de EMA zullen lokale toezichthouders in bijvoorbeeld Saoedi-Arabië geneigd zijn het middel snel toe laten. Na registratie mogen de fabrikanten in de rijke landen voor het medicijn vragen wat ze willen, maar in de ongeveer 135 arme(re) landen is hun prijs gelimiteerd. Schellekens: „Dan mogen ze alleen hun kosten met een paar procent winstopslag vragen.” De uiteindelijke prijs zal tien keer zo laag zijn als het oorspronkelijke middel, is de verwachting.

De fabrikant van het originele merkgeneesmiddel, MedImmune (AstraZeneca) zal daar niet blij mee zijn. Maar omdat het middel vorig jaar uit het patent is gelopen, kan MedImmune in beginsel weinig uitrichten. De ervaring leert dat merkfabrikanten wel tijd rekken, zegt Sigman voor. „Palivizumab levert jaarlijks een omzet van meer dan een miljard dollar op. Elke dag extra vertraging is dus meer dan 2,5 miljoen dollar omzet erbij.”

De belangrijkste vertragingstactiek is het zaaien van twijfel bij registratieautoriteiten over de kwaliteit van het namaakproduct. Doordat met levend materiaal wordt gewerkt, is een biosimilar nooit een exacte kopie van het origineel. „De afwijking is niet groter dan die tussen de productiebatches van het originele geneesmiddel. De werking is bovendien even goed”, zegt Schellekens. „De merkfabrikant heeft al gezegd dat wij patiënten als proefkonijnen gebruiken.”

De makers van Lunamab gaan niettemin stug door, zegt Sigman: „Dertig jaar geleden werden zulke dingen beweerd over de alternatieven voor synthetische medicijnen, maar inmiddels zijn generieke middelen goed voor 70 procent van de Amerikaanse medicijnmarkt.” Dat verklaart ook waarom merkfabrikanten overal fel lobbyen tegen biosimilars.

„Dat is een verloren strijd, omdat op termijn veel meer partijen biosimilars kunnen maken”, zegt Schellekens, die al aan de ontwikkeling van nieuwe biosimilars denkt. Welke? „Op de WHO-lijst van essentiële geneesmiddelen staat ook Herceptin.” Dat is het kankermiddel pertuzumab dat jaarlijks meer dan 6,5 miljard dollar omzet oplevert. Een biosimilar van dit middel betekent een aanval op de grootste melkkoe van Big Pharma. Schellekens is zich daarvan bewust: „Met Palivizumab blijven we nog wat onder de radar. Met een biosimilar van Herceptin kom je in de schijnwerpers.”

    • Karel Berkhout