Flexwet mislukt? Asscher ziet het anders

Lodewijk Asscher wil de vakbonden en werkgevers zelf laten bedenken of de flexwet anders moet. De Tweede Kamer wacht het nog af. 

Of PvdA-minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken zelf wel eens bezorgd is over de gevolgen van de nieuwe ontslag- en flexwet?

Het is op woensdagavond een bijna wanhopige vraag van Tweede Kamerlid Steven van Weyenberg (D66), na een debat van ruim drie uur over de onrust van vooral kleine ondernemers die geen medewerkers meer in vaste dienst willen nemen, over mensen die losse contracten hadden en nu zonder werk zitten, over de bezwaren van arbeidsrechtexperts tegen de strikte ontslaggronden in de wet.

Asscher kijkt de leden van de Tweede Kamercommissie van Sociale Zaken vriendelijk aan. Zorgen? Hij ziet het zo: dat de werkgeversvoorzitter van het midden- en kleinbedrijf, Michaël van Straalen, de Wet werk en zekerheid begin vorige week in NRC mislukt noemde, is „relevant”. Het waren de werkgevers die samen met de vakbonden en het kabinet Rutte II de wet hebben bedacht in het ‘sociaal akkoord’, met als doel: flexibel werk minder los maken, vast werk minder vast. En dus heeft Asscher Van Straalen aan tafel gezet met de vakbonden en gezegd: „Kom maar met concrete voorstellen voor verbetering.”

Vóór 1 juli wil hij die hebben. En als het nodig is, wordt de wet aangepast. Maar verder: „Er zit altijd een asymmetrie tussen degenen die met zo’n nieuwe wet gewoon aan de slag gaan, cao’s sluiten, werk creëren in Nederland zoals bijvoorbeeld ABN Amro, en degenen die dat niet doen. Die eerste groep kun je óók niet zomaar negeren.”

Horen de werkgevers die het moeilijk hebben met de ontslag- en flexwet dan allemaal in de tweede groep? Asscher zegt het niet.

Vooral het CDA, D66, de ChristenUnie en – wat aarzelend – de VVD vinden dat de minister zelf ook oplossingen moet bedenken voor problemen die er volgens veel ondernemers en deskundigen zijn met de wet. Zoals de regel die bepaalt dat werkgevers losse medewerkers al na een beperkt aantal contracten in dienst moeten nemen, of minstens zes maanden tussen de contracten moeten laten.

Volgens de PvdA is het te vroeg om de wet, die geldt sinds vorig jaar juli, te beoordelen. De SP vindt het juist goed dat werkgevers minder makkelijk van vaste medewerkers afkomen door de strikte ontslagregels. De PVV was altijd al tegen de wet – maar die nu al veranderen? Dat hoeft ook weer niet.

Ontslagvergoeding

Asscher belooft dat hij zal nagaan of er iets aan te doen is dat werkgevers hun langdurig zieke werknemers na twee jaar van loondoorbetaling ook een ontslagvergoeding moeten betalen. Maar dan wel in overleg met de vakbonden – die lieten woensdag weten dat ze „natuurlijk opkomen voor de rechten van zieke werknemers”.

Er is door Asscher al een ‘verkenner’ op pad gestuurd om na te gaan hoe de wet uitpakt in het seizoenswerk, zoals de horeca aan het strand of de land- en tuinbouw. Asscher denkt dat de problemen daar opgelost kunnen worden in cao’s: als werkgevers en werknemers samen andere regels bedenken voor series van contracten, kan dat meestal wel.

Dus problemen, zorgen? Vorige week nog had Asscher het ‘nieuws’ dat CBS-cijfers aantonen dat er juist méér vaste banen bij komen door de wet. „Precies het beoogde effect.” Het CBS zelf noemde die conclusie veel te vroeg. In het debat doet Asscher iets wat Tweede Kamerleden vaker met hem meemaken: hij draait het om. „Die cijfers toonden aan: wie zegt dat er door de wet geen enkele vaste baan meer bij komt, heeft ongelijk.”