Column

Doping

Hoe oud is het woord doping? Dat wilde iemand weten naar aanleiding van het nieuwste rondje dopingschandalen – ditmaal bij Russische sporters.

In de betekenis ‘de doop ondergaan of toedienen’ is doping al oud. De Oprechte Haerlemsche Courant klaagde al in 1702 over de „irriguliere Huwelijcken en Dopingen” van de Presbyteriaanse kerk.

In de betekenis ‘het toedienen van stimulerende middelen om hogere prestaties te leveren’, is doping een relatief jong woord, geleend uit het Engels. In het Amerikaans-Engels is het in 1889 voor het eerst geregistreerd. Het was een succesvol neologisme, dat in de jaren daarna snel door andere talen werd overgenomen. Zo kent het Frans het Engelse leenwoord doping sinds 1900, het Nederlands sinds 1903 en het Duits sinds 1908.

Je zou hieruit kunnen afleiden dat doping een Amerikaanse uitvinding is die zich relatief snel over Europa verspreidde, maar zo simpel is het niet. Zo heeft de oudste Nederlandse vindplaats geen betrekking op een Nederlandse dopingkwestie, maar op een discussie die in Engeland en Frankrijk speelde. Onder de kop „Paarden: maatregelen tegen ‘Doping’”, meldde het Algemeen Handelsblad in oktober 1903: „In het buitenland zijn sinds langen tijd stemmen opgegaan tegen het vooral in Frankrijk en Engeland op de wedrennen steeds meer en meer wortelschietende ‘doping’, waaronder verstaan wordt het toedienen van kunstmatig opwekkende middelen door eigenaars en jockeys van renpaarden om dezen in de courses meer kans van winnen te geven, waarvoor o. a. cocaïne, cafeïne, strychnine enz., alle zeer schadelijke bestanddeelen, gebezigd worden.’’

„Het doping”, vervolgde het artikel, maakte niet alleen het resultaat van de rennen onzuiver, „maar op den duur richt het enorm veel kwaad onder de paarden aan.” Daarom had de Engelse Jockey Club besloten om paarden die een opwekkend middel hadden gekregen, voortaan van een race uit te sluiten.

Taalkundig gezien is het interessant dat hier tot twee keer toe wordt gesproken van „het doping”, waar wij nu „de doping” zouden zeggen. Het lijkt of doping ergens onderweg van geslacht is veranderd. Historisch gezien is het interessant dat er volgens het artikel al „sinds langen tijd” over doping bij paardenraces werd gediscussieerd. Kennelijk werden racepaarden dus al geruime tijd ingespoten met onder meer cocaïne, cafeïne en zelfs met strychnine, een zeer giftig middel.

Vanaf wanneer lezen we over doping bij sporters – bij mensen dus? Voor zover mij bekend dateert een van de vroegste voorbeelden uit 1920. Het Rotterdamsch nieuwsblad meldde indertijd dat de Nederlandsche Atletiek Unie bezwaar had gemaakt tegen het „toedienen van sterken drank, voor den kamp” aan Nederlandse atleten tijdens de Olympische Zomerspelen. Die sterke drank werd omschreven als „het ‘doping’ middel”.

Opmerkelijk is dat het woord dopingcontrole pas van het begin van de jaren zestig dateert. Onder de kop „Doping-contróle op Italiaanse voetballers” meldde het Limburgs Dagblad in 1962 dat de Italiaanse Voetbalbond zou doorgaan met een onderzoek naar beweringen dat Italiaanse voetballers „voor of tijdens” wedstrijden stimulerende middelen gebruikten.

Vreemd eigenlijk, dat we ons blijven verbazen over doping door sporters, terwijl er al decennialang melding van wordt gemaakt.

Ewoud Sanders schrijft op deze plek elke week een column