De strandbeesten van Theo Jansen, nu nog op papier

Theo Jansen, Vermiculis hoog, 2016. Potlood op papier

Theo Jansen (1948) is kunstenaar of uitvinder of iets daartussenin – een hedendaagse Leonardo da Vinci. Opgeleid als natuurkundige begon hij in 1990 met het maken van ‘strandbeesten’: constructies van pvc-buizen die, aangedreven door de wind, rammelend en knarsend over het strand bij Scheveningen bewegen. Lichtgele skeletten zonder vlees of vacht. Jansen probeert elke zomer een nieuw model te leren lopen.

De strandbeesten zijn openluchtkunst, die soms op het strand te zien is en altijd op YouTube, maar zelden of nooit in musea of galeries. In een onlangs door de NTR uitgezonden televisiedocumentaire solliciteerde Jansen onomwonden naar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum, het Bonnefantenmuseum of het Haags Gemeentemuseum. Het zou heel mooi kunnen uitpakken: vijfentwintig jaar strandbeesten, een retrospectief.

De meeste beesten zullen daarvoor gereconstrueerd moeten worden, want na een zomer strandwandelen zijn ze doorgaans versleten. De kunstenaar verklaart ze dan tot ‘fossiel’. Bij Heden in Den Haag worden nu overblijfselen van zulke fossiele strandbeesten tentoongesteld in kijkkastjes, als echte archeologische vondsten. Voor complete sculpturen is de expositieruimte te klein; er staat één middelgroot beest en dat heeft weinig bewegingsruimte.

De bezoeker krijgt vooral Jansens hoofd te zien. Van binnen. Want behalve de fossiele stukjes en beetjes hangen er ook 33 ontwerptekeningen. De meest affe tekeningen willen graag op die van Leonardo lijken; er is zelfs een variant op diens Vitruviusman bij, met een tweede kop op kruishoogte.

Interessanter zijn de bladen waarop Jansen niet aan kunst denkt, maar aan beesten. De echte bouwtekeningen, met aantekeningen, pijlen en berekeningen eromheen, hebben een terloopser, onbedoelder soort schoonheid. In potlood verschijnt hier een nieuw wezen, dat aan de wandel kan zodra de winter voorbij is.