Column

Boekenborrel

Morgenavond begint het Boekenbal en hoewel er in mijn omgeving, vooral door mensen die er nog nooit zijn geweest, flink op wordt afgegeven, ben ik manisch blij met mijn kaartje. Het is een spectaculaire toeristische tour door de literatuurgeschiedenis. Ik weet nog dat ik een keer per ongeluk tegen Remco Campert opbotste en me realiseerde dat ik daardoor indirect ook tegen Lucebert en Fritzi Harmsen van Beek was aangelopen. Bovendien worden op zo’n avond ook allerlei onvergetelijke spelletjes gespeeld. Een tijdlang was het spel ‘je onder de tafel laten drinken door Hafid Bouazza’ een hit. Er schijnt ook nog zoiets te zijn als het stagequotum. Wie die avond de meeste leerling-gezellen (m/v) van een uitgeverij weet te versieren, wint iets. Ik ben even kwijt of het de eer of een geslachtsziekte is.

Natuurlijk is het Boekenbal niet wat je er als debutant van verwacht. Niemand praat over literatuur. Geen enkel gesprek gaat de diepte in. Het wemelt er van de personen die hallo tegen je zeggen terwijl ze hun blik al op de mensen achter je hebben gericht. Maar toch is het de allergezelligste borrel die ik ken.

Want dat is het eigenlijk, een boekenborrel. Het verschilt nauwelijks van de doorsnee vrijmibo, behalve dan dat je jezelf voor deze gelegenheid mag opdoffen en er een rode loper is. Het is ook een van de weinige momenten dat je een beetje kan lachen om je collega’s. Schrijvers nemen elkaar soms veel te serieus.

Afgelopen jaar stond ik samen met Sander Blom, onvolprezen redacteur bij Atlas Contact, vertederd naar enkele dronken vakbroeders te kijken. „Ach”, zei hij, terwijl hij zijn zijden dasje lostrok, „zo’n Bal is eigenlijk ook een idioot idee. Wie geeft er nou een feest voor mensen die het liefst thuis op de bank een boek lezen?”

Daar had hij gelijk in. Ik ben na een avond als deze dolgelukkig om weer verder te kunnen in het prachtige Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt. Zo’n Bal bestaat uit niets meer dan wat mensen die gesprekken voeren terwijl ze op papier veel beter uit hun woorden komen, maar daar gaat het niet om. Het punt is dat je eindelijk het gevoel hebt bij een bedrijf te horen. De meeste schrijvers werken in hun eentje en het is fantastisch om, ook al is het maar eenmaal per jaar, te geloven dat je een baan hebt. En dat het een van de grote voordelen van zo’n job is, dat je daarvoor vooral heel veel en heerlijk lang alleen mag zijn, weg van het gedans, weg van het kabaal, om met oordoppen in te kunnen schrijven over al dat gedans en kabaal.