Wél het kunstwerk, niet de hongermoord

kunst

Expositie ROOD! laat wél de propagandakunst uit de Sovjettijd zien. Maar de achterliggende geschiedenis blijft onbelicht.

Werk van Aleksandr Rodtsjenko en Varvara Stepanova in het tijdschrift Sovjet-Unie in opbouw, 1935.

Machtspolitiek en cultuurpolitiek gaan in Rusland hand in hand. Na de Oktoberrevolutie van 1917 was er zelfs sprake van een symbiose van de bolsjewieken met linkse kunstenaars die als ‘ingenieurs van de ziel’ de heilstaat dichterbij moesten brengen. Jozef Stalin (1878-1953) spande de kroon in dit monsterverbond. Toen Stalin eind jaren 20 zijn kameraden van het eerste revolutionaire uur had uitgeschakeld, mobiliseerde hij de kunsten zoals hij de maatschappij mobiliseerde. Begin jaren 30 ontketende hij een ware binnenlandse oorlog.

De collectivisatie van de landbouw leidde in 1932-1933 tot de hongermoord op ongeveer zeven miljoen mensen. Tijdens de ‘grote terreur’ (1937-1938) werden circa anderhalf miljoen burgers de dood ingejaagd. Intussen werd de slavernij in de Goelag verder geperfectioneerd.

De juiste kunstenaars

Voor deze klassenoorlog tegen het kapitalisme en de ‘sociaal-fascisten’ (lees: sociaal-democratie) in Europa bracht Stalin juist die kunstenaars in stelling, die ook buiten Rusland faam genoten: de fotografen Lazar Lisitski (1890-1941, internationaal bekend als El Lissitzky) en Aleksandr Rodtsjenko (1891-1956) bijvoorbeeld.

Stalin had niet veel op met hun vernieuwende concepten die ook buiten Rusland resoneerden, zoals bij Gerrit Rietveld. Stalin begreep dat het volk, net als hijzelf, ontvankelijker was voor culturele propaganda die geen uitleg behoefde dan voor de Poolse Oekraïner Kazimir Malevitsj (1878-1935). Een zigeunermeisje met een biggelende traan werkt beter dan een abstracte geometrische constructie.

Maar de progressieve kunstenaars uit de jaren 20 werden, als ze zich netjes schikten naar de luimen van het Kremlin, niet afgedankt. Ze waren nuttig voor een blad als Sovjet-Unie in opbouw dat in enkele talen verscheen.

Zo maakten Rodtsjenko, El Lissitzky en hun partners Varvara Stepanova en Sophie Küppers in de jaren 30 nummers, waarin het ‘socialisme in één land’ werd bejubeld. Rodtsjenko, die op de loonlijst van de geheime dienst GPOe stond, fotografeerde de dwangarbeiders bij het graven van het Belomorkanaal alsof het om een zomerkamp ging. In Lissitzky’s boek over de gecollectiviseerde voedingsindustrie heeft iedere boerenarbeider een glimlach op zijn gezicht.

Sinds begin jaren 90 hebben de kunsthistorici Serge Stommels en Albert Lemmens dit soort materiaal verzameld. Uit hun collectie, die nu bij het Van Abbemuseum rust, hebben ze materiaal uit dit decennium geselecteerd voor de expositie ROOD! in museum De Fundatie in Zwolle. Bij hun keuze hebben ze hun oog vooral laten vallen op werk van de constructivisten. Het stalinistische classicisme en socialistisch realisme, die concurreerden met Hitlers arische kunst, zijn amper te zien.

Er wringt wel iets

Het resultaat is een interessante tentoonstelling die goed laat zien dat en waarom de Sovjetpropaganda werkte. Maar er wringt wel iets.

De curatoren leggen bij de ingang – en in hun catalogus – uit dat het gaat om propaganda voor een dictatoriale macht die militaire middelen inzette om de bevolking bang te maken. Ze weten dat er een adder onder het gras zit. Maar de historische context van de jaren 30 – in kwantitatieve zin ontegenzeggelijk de zwartste bladzij uit de Russische geschiedenis – komt amper over het voetlicht. Dat leidt tot paradoxale vitrines. Wel een tijdschrift dat is gewijd aan de Sovjetrepubliek Oekraïne, maar geen extra woord voor de holodomor (hongermoord) die miljoenen Oekraïners om zeep hielp. Wel een fraai vormgegeven kinderboek over de aanleg van de metro in Moskou, maar geen tekstuele aandacht voor de dodelijke kant van dit stalinistische Goelag-project.

Geen misverstand. De expositie ROOD! is geen propaganda. De samenstellers kennen heus de keerzijde van de artistieke werkelijkheid die ze tentoonstellen. Maar ze kiezen ervoor de propaganda te etaleren als kunst die voor zichzelf spreekt. En dat gebeurt nou nooit met arische kunst. Als die wordt geëxposeerd, wordt juist wel context geboden.

Deze paradox illustreert weer eens dat het stalinisme in Nederland nog altijd folklore is en het nazisme niet.

    • Hubert Smeets