Verzamelen om schoonheid en avontuur

Tefaf eert Willem baron van Dedem. Vanaf 1997 was hij bestuursvoorzitter van de kunstbeurs. Afgelopen november overleed hij op 86-jarige leeftijd.

De rustige en bescheiden Willem baron van Dedem kon ook flink boos worden, zoals over de aankoop van deVictory Boogie Woogie door de Vereniging Rembrandt. Foto Merlijn Doomernik

Willem baron van Dedem. Zo’n naam doet een opvoeding met kunst vermoeden. En als kijken, kopen, bediscussiëren, verkopen en schenken van schilderijen met de paplepel is ingegoten, bevreemdt het niet dat de baron tijdens zijn leven een van ’s werelds beste collecties Hollandse meesters aanlegde.

Maar zo is het niet. Toen Van Dedem op zijn 34ste van zijn baas bij de Steenkolen Handels-Vereeniging (SHV) de vraag kreeg of hij „al in Delft” was geweest, begreep hij niet wat de man bedoelde. De baron had zijn eigen huis eigentijds ingericht, had nog nooit een schilderij gekocht en was ook nog nooit naar de Oude Kunst- en Antiekbeurs in Delft geweest. Hij ging er „als een haas” naar toe, zou hij bijna bijna vijftig jaar later schrijven in een boekje voor vrienden en kennissen: „Voor mijn goede fatsoen wilde ik toch kunnen zeggen dat ik er geweest was.”

Delft bleek „een openbaring”, een moment dat zijn leven zou veranderen: „Wat vond ik alles mooi! Alles: meubels, zilver, porselein, schilderijen, beelden.”

Natuurlijk, als kind had hij bij zijn oudoom D.G. van Beuningen Pieter Bruegels Toren van Babel zien hangen, later topstuk in Museum Boijmans Van Beuningen. Bruegels Toren had indruk gemaakt, maar dat was hij vergeten. „In Delft kwam die sensatie terug.” Om nooit meer te verdwijnen.

Een monochroom banketje

In 1963 kocht Van Dedem zijn eerste werk. Een klein schilderijtje van Adriaen Verdoel, voor 3.500 gulden. Eigenlijk had hij een stilleven van Claesz of Heda willen kopen, maar dat ging toen ver boven zijn budget. Van Dedem kocht wat hij kon kopen en liet zich informeren door handelaren en kopers, hij verdiepte zich, hij las en bezocht musea en ruilde zijn eerste acht aankopen allemaal weer in. Om mooiere schilderijen te kopen – en altijd van Hollanders en Vlamingen uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Wat hielp is dat hij na zijn vertrek bij SHV goed ging verdienen met een eigen bedrijf dat tankpasjes voor vrachtwagens introduceerde. Het betekende dat hij in maart 1977 wel een groot stilleven van Pieter Claesz kon kopen, een zogenoemd „monochroom banketje”, voor 280.000 gulden. Hij schonk het in 2002 met vier andere topwerken aan het Mauritshuis. De verzekeringswaarde van de Claesz was inmiddels opgelopen tot 1,5 miljoen Britse pond.

Dit soort bedragen zijn allemaal bekend, omdat Van Dedem, tot zijn aanstelling in 1997 als bestuursvoorzitter van Tefaf Maastricht, een kasboekje bijhield, wat de basis vormde van het geschrift dat hij later voor zijn vrienden zou schrijven. In zijn zucht de collectie te verbeteren, heeft hij 94 gekochte schilderijen ook weer verkocht. 54 ruilde hij in voor iets beters, soms twee of drie tegen één. 9 schilderijen waren miskopen, schreef hij, en 31 verkocht hij „commercieel”, transacties waarmee hij 1,9 miljoen gulden winst boekte. Er blijkt weer eens uit dat verzamelen met geduld en kennis niet altijd duur hoeft te zijn.

Kunstavonturen

Toch zag Van Dedem in het verzamelen van kunst vooral schoonheid, avontuur en boeiende ervaringen. Tijdens een interview, over de Hobbema die hij twee jaar geleden aan het Rijksmuseum schonk (grootste particuliere gift aan het museum in de laatste vijftig jaar), viel op hoe soepel hij over zijn kunstavonturen vertelde, alsof hij de verhalen in herhaling had geperfectioneerd. Zoals die over de neef van de emir van Qatar, sjeik Saud Al Thani, een man die jaarlijks miljoenen uitgaf in Maastricht. Maar niemand, ook hij niet, mag voor de opening de beurs in. Dus stapte Van Dedem een dag voor de opening op Al Thani af met het voornemen hem eruit te gooien. De Qatarees wees hem daarop trots op zijn perskaart: hij had tv-zender Al Jazeera opgekocht om eerder binnen te kunnen komen. Van Dedem: „Ik heb hem gecomplimenteerd met deze slimheid.” Hij mocht blijven.

Over zijn gulle giften aan musea heeft Van Dedem nooit dik gedaan. Het waren niet zijn geschenken, zei hij altijd, maar die van zijn kinderen. De door hem geschonken werken vroeg hij immers meestal in bruikleen terug, opdat hij er in zijn huis in Richmond aan de Theems nog tot zijn dood van kon genieten.

In de eulogieën die er sinds zijn overlijden in november verschenen, heet hij beleefd, rustig en geduldig. Allemaal waar. Zoals in 1998, toen de voorzitter van de Vereniging Rembrandt, Jan Maarten Boll, van het geld dat De Nederlandsche Bank ter beschikking had gesteld voor kunstaankoop, 80 miljoen gulden (destijds dertig miljoen dollar) uitgaf aan één enkel schilderij, Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan. Van Dedem kon er niet bij.

Hij checkte het bij vrienden die moderne kunst verzamelden, plus een oud MoMA-directeur: die prijs voor dat ene onvoltooide werk was belachelijk. En dan te bedenken, schreef de baron in zijn boekje, dat alleen al met de rente van dat bedrag het jaarlijkse budget van de Vereniging Rembrandt zou verviervoudigen.

Misschien was het omdat Van Dedem altijd zelf het geld had verdiend waarmee hij kunst kocht, dat hij deze verkwisting niet kon verkroppen. Korte tijd later trad hij af als bestuurslid van de Vereniging Rembrandt. Een afscheidsdiner sloeg hij af.

Maar beleefd bleef hij wel. Een paar jaar later zou hij het erelidmaatschap van de vereniging accepteren „overwegende dat deze eerbiedwaardige instelling waarvan ik zoveel jaar met plezier bestuurslid was geweest méér is dan het beleid van één voorzitter op één kwestieus punt”.

[De passage in dit stuk over de gang van zaken rond Victory Boogie Woogie is aangepast]