Je komt niet zomaar in de hemel

Aanvankelijk mochten alleen martelaren direct ‘naar boven’. De simpele ziel moest wachten op Jezus’ terugkeer. Toen die uitbleef, veranderden de opvattingen over de hemelvaart.

Quizvraagje. Wat was in de tweede en derde eeuw het verschil tussen christenen en heidenen als het gaat om de onsterfelijkheid van de ziel?

Wie nu ‘makkelijk’ roept, moet oppassen. Want in zijn nieuwe boek, over het ontstaan van de christelijke hemel en hel, beschrijft godsdiensthistoricus Peter Brown hoe christenen in die tijd vooral opvielen doordat zij bar weinig zagen in de onsterfelijkheid van de ziel. Juist de heidenen waren druk bezig met de autonome ziel en de wijze waarop die na de dood zou opstijgen naar hoge oorden – en liefst zo hoog mogelijk, zo ver mogelijk van het lichaam. Precies wat later ook de christenen zouden gaan doen. Het is een wijze les voor fundamentalisten. Vaste waarheden van nu zijn in de begintijd van een godsdienst vaak nergens te bekennen.

In het vroege christendom uit de Romeinse tijd zat de ziel nog stevig aan het lichaam vastgeklonken. Het christelijk geloof was vrij aards. Derde-eeuwse christelijke leiders als Tertullianus en Cyprianus van Carthago vonden zo’n autonome onsterfelijkheid van de ziel een arrogante gedachte, schrijft Brown. Het was aan Gód om een christelijke ziel te verzelfstandigen. Alleen kampioenen – martelaren die waren gestorven voor hun geloof – mochten direct ‘naar boven’. Alleen zij werden ontvangen in het paleis van God. Een gewone dood van een christen was niet zo belangrijk.

Ziel in de wachtruimte

Dat betekende niet dat de christenzielen met het stervende lichaam in het niets verdwenen. Ze werden in een vage wachtruimte als het ware op de plank gelegd, om te wachten op het echte spektakel van Jezus’ terugkeer. Want in dat lang verdwenen tweede- en derde-eeuwse christendom draaide alles om de wederopstanding van de doden bij het aanbreken van het Einde der Tijden. Dat was het grote moment, dán zouden lichaam en ziel weer verenigd worden, en dan zou de aarde eindelijk weer paradijs worden.

Bij het vooruitzicht van zo’n hemel op aarde moest het hiernamaals wel verbleken. Die laatste dag, gek genoeg ook wel Jongste Dag genoemd, was niet alleen maar blijheid. Het was ook een collectieve rechtzaak, waarbij de christen met onvoldoende deugdzaamheid een eeuwig hellestraf boven het hoofd hing. Dan pas werden alle dossiers uit het rechtbankmagazijn gehaald.

Contact met de doden

Brown vertelt graag zo concreet mogelijk hoe gelovigen contact met hun doden vormgaven. In de derde eeuw deden christenen dat nog op een manier die al millennia oud was: het genieten van een maaltijd op het graf. Daar vroegen de levende christenen in hun gebeden of de doden hén niet zouden vergeten en hen op de een of andere manier wilden helpen. De doden waren bijna lichamelijk vlakbij.

Maar die toestand kon niet blijven bestaan, omdat het Einde der Tijden waarin Jezus Christus zou terugkeren op aarde, al generaties lang op zich liet wachten. Er moest iets met die massa wachtende zielen gebeuren. In de verbeelding van de christenen werd de wachtruimte langzaam opgetuigd, met aangename voorzieningen. Het werd een refrigerium, een ruimte van verfrissing en rust. En daarmee kreeg de ziel zelf, los van het lichaam, meer autonomie en kracht. Al in de derde eeuw won het tot dan toe typisch Griekse idee van de ziel als onverwoestbaar spiritueel wezen ook bij de christenen aan kracht. De individualisering van het christelijke hiernamaals kon beginnen.

Het eindresultaat, omstreeks 700, was een ziel die in feite weinig meer met het lichaam te maken heeft. Direct na de dood vertrekt hij naar het hiernamaals en wordt daar afgerekend op deugden en zonden. Geen schimmige wachttijd meer tot het Einde der Tijden. De doden kwamen op afstand, voortaan baden de levenden voor de benarde doden.

Het hoogtepunt van die ontwikkeling is de middeleeuwse uitvinding van een tijdelijke hel: het vagevuur, om het harde oordeel – hemel óf hel – te verzachten en om een derde mogelijkheid te bieden: wél straf, maar uiteindelijk toch de hemel. En die afrekening van zonden en deugden krijgt vooral in het Westen een boekhoudkundig karakter, waarin ook geld een grote rol ging spelen. Ideaal voor een excelbestandje, zou je zeggen.

De Iers-Amerikaanse historicus Peter Brown (Dublin, 1935) werd vijftig jaar geleden wereldberoemd met zijn biografie van de kerkvader Augustinus (354-430). En ook in dit boek heeft deze krachtigste, misschien wel agressiefste christelijke denker uit de Oudheid weer een hoofdrol. Want mede dankzij Augustinus is die boekhoudmetafoor zó populair geworden dat duizend jaar later de katholieke kerk er bijna aan ten onder ging – door Luthers strijd tegen de gehate aflaten, waarmee je je latere schuld in het hiernamaals alvast op aarde kon afbetalen. Nu vindt niemand dat nog een goed idee, maar in de tijd van Augustinus was het juist nieuw en creatief om door aalmoezen aan armen en giften aan de kerk je groeiende zondenboekhouding te verlichten.

Augustinus introduceerde dat aalmoezenidee in zijn strijd tegen radicale christenen, die spirituele perfectie nastreefden en dus überhaupt geen geld mochten bezitten. Onmogelijk, vond Augustinus, geen mens is zonder zonden. Om de gelovigen toch een beetje hoop te geven, benadrukte ook Augustinus het weggeven van geld, maar dan beetje bij beetje. Dagelijkse aalmoezen geven de gebeden om vergeving vleugels, was Augustinus motto. Weggegeven geld werd een van de belangrijkste garanties voor het zielenheil van de levenden en de doden. En liefst werd het geld geschonken aan de armen: de sociale doden, die in het christelijke denken bijna samen vielen met de arme zielen in het hiernamaals, aldus Brown. Beide groepen hadden hulp nodig. God was een soort schuldmanager geworden.

Germaanse koninkrijken

Had het ook anders kunnen lopen? Waarschijnlijk wel, als Augustinus zich nooit tot het christendom had bekeerd. Maar verder? Vaak worden de angsten voor de hel en de roep om genade in het Laat-Romeinse Rijk en de vroege Middeleeuwen ook verbonden met de onrust door politieke, militaire en sociale veranderingen. De West-Romeinse keizer verdween en Germaanse koninkrijken vol burgeroorlogen verschenen.

Maar volgens Brown is de motor achter de uitvinding van de hemel de innerlijke logica van christelijke ideeën, die werd aangejaagd door het uitblijven van het einde der tijden. Het vage en saaie zielenmagazijn moest nader worden ingevuld, en naarmate die ideeën over het lot van de gestorven zielen concreter werden, groeide de onzekerheid over dat steeds snellere oordeel.

Brown: ‘Geen schok van een barbaarse invasie kan de opkomst verklaren van angst voor de hel en voor de demonische krachten die op de loer liggen voor een ziel op het moment van sterven.’ Brown laat ook niet na om de onrust en burgeroorlogen in de nieuwe Germaanse koninkrijken te relativeren. De bronnen uit die tijd overdreven flink. ‘Er waren weinig veldslagen, er werden geen steden geplunderd.’ En als er geplunderd werd, deden de armen even goed mee, merkt Brown fijntjes op. Maar zijn belangrijkste punt is: de angsten voor de hel waren al veel eerder begonnen, toen het Romeinse Rijk nog in rustiger vaarwater verkeerde.