Column

Hommage aan Bram

Het is niet van pretentie ontbloot om veertig uur lang in het openbaar onderhoudend over je eigen leven te willen praten, maar Freek de Jonge doet het deze weken - en het lukt hem ook nog, als ik mag afgaan op het optreden van gisteren.

Als ‘honorary fellow aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA’ geeft hij twintig autobiografische colleges (van 9 februari tot 8 april) onder de titel Mijn Koude Oorlog in het auditorium van het Rijksmuseum.

Daartoe heeft hij zijn leven verdeeld in vijf tijdvakken, die zijn persoonlijke herinneringen moeten verbinden aan de historische gebeurtenissen van die periode. Hij laat zich tijdens elk college bijstaan door een deskundige; ditmaal was dat ex-popjournalist Constant Meijers, die boeiend uitlegde dat Bram Vermeulen en Freek als eerste cabaretiers aansluiting vonden bij de popmuziek.

Gisteren begon Freek aan de periode ‘Van Bram tot Breuk’ (1968 – 1979), waarin hij deze week zijn samenwerking met Bram behandelt. Als het duo Neerlands Hoop gaven zij het cabaret in die jaren een belangrijke, vernieuwende impuls. Zelf koester ik mooie herinneringen aan hun optredens in de studentenstad Groningen, waar hun vrijmoedige cabaret veel weerklank vond. Je ervoer het als een hilarische, radicale breuk met het vaak al te beschaafde cabaret van die tijd.

Zoals verwacht was het auditorium van het Rijksmuseum vooral (goed) gevuld met publiek dat deze periode zelf had meegemaakt; de jeugd was elders aan het werk. Het gevaar van gemakkelijke nostalgie lag dan ook op de loer, maar Freek hield het luchtig en pittig genoeg om daaraan te ontkomen.

Hij behandelde Bram ook niet als een heilige, het was eerder een reële hommage aan iemand die lange tijd een goede vriend en collega was geweest. De verschillen tussen hen waren groot, toen ze elkaar in het Amsterdamse studentenleven leerden kennen.

Bram was druk en overactief, Freek was minder zeker van zichzelf. „We waren onafscheidelijk. Ik kreeg energie van hem en ben sindsdien nooit meer lui geweest. Hij wist me aan de gang te krijgen.” Bram, een topvolleyballer, hamerde op discipline. „Bij hem was iedere seconde qualitytime. Ons leven was een wedstrijd.” Ze repeteerden elke week vier, vijf uur per dag en vonden geleidelijk hun vorm.

Freek lardeerde zijn college, dat hij grotendeels vanaf een iPad voorlas, met treffende anekdotes. Hij vertelde hoe hij Bram meenam naar huis om met zijn ouders kennis te maken. Freeks vader, een dominee, bad voor het eten, Bram reageerde meteen met de opmerking dat hij zich niet kon voorstellen dat iemand die verstand heeft, in God gelooft. „Was hij boos?”, vroeg Bram naderhand. „Dacht je dat hij zou zeggen: waarom doe ik dit nog?”, zei Freek. En tegen ons in de zaal: „Het was niet het laatste loyaliteitsconflict dat ik met hem had.”

In de volgende drie afleveringen zal hij daar ongetwijfeld nader op terugkomen. Eén toeschouwer riep tijdens het vragenrondje dat Freek in dit college te weinig aandacht aan Bram had besteed. „Komt er nog wat?”, vroeg hij. „Ik hoef me niet te verantwoorden”, reageerde Freek, „dit is wat het was.” De man stond op en liep boos weg, terwijl Freek hem plagerig nariep: „Het gaat straks alléén maar over Bram.”

Als ik die meneer was, zou ik de moed nog niet opgeven.