Achterwerk: een bodemloos vat vol puberleed

De brievenrubriek van de VPRO Gids sluit. Pubers met problemen kunnen elders terecht. „Het is voorbij, net als de videotheek.”

Achterwerk is niet meer. De VPRO Gids stopt met de goed gelezen brievenrubriek voor kinderen, die veertig jaar achterop de tv-gids stond. Dinsdag was de laatste aflevering, met een afscheidsbrief. Samensteller Elja Looijestijn: „De stroom brieven is opgedroogd. We krijgen niet genoeg meer om er een leuke pagina van te maken.”

Oorzaak: internet. Looijestijn: „Er zijn genoeg plekken op internet waar een kind lotgenoten of informatie kan vinden. Dat werkt veel beter dan een brief sturen en wekenlang wachten op een reactie.” Haar voorganger Katja de Bruin noemt nog een andere oorzaak: vergrijzing van de VPRO-leden. „In de jaren tachtig en negentig hadden de lezers nog jonge kinderen. Die zijn nu allemaal de deur uit.” Looijestijn: „Het is voorbij, net als de videotheek.”

Voor wie wilde weten wat de jeugd van Nederland bezighield, of voor wie wilde lachen of huilen om een prachtige kinderbrief, was Achterwerk jarenlang een instituut. Over de verwarring van ontluikende seksualiteit, de eenzaamheid van het gepeste kind, scheidende ouders, exotische ziektes, angstige waanbeelden na paddo’s slikken, de zelfmoord van zanger Kurt Cobain, maar ook over cavia’s, enge films, nachtangst. De rubriek geeft een tijdsbeeld van veertig jaar Nederland, voer voor psychologen, sociologen en historici. De Bruin: „Ooit was het een plek waar je erachter kon komen hoe kinderen leven buiten het blikveld van volwassenen.”

Maar de belangrijkste functie van Achterwerk was: kinderen in de problemen in contact brengen met lotgenoten. Looijestijn: „Je bent nooit de enige met iets.”

De rubriek werd in mei 1976 opgericht door Nelleke van der Drift. De Bruin: „In het begin was het meer een moppentrommel. Later werd het een bodemloos vat vol puberleed.”

Dat leidde tot terugkerende discussies tussen jonge kinderen en pubers. De pubers wilden geen moppen horen. De kinderen zaten niet te wachten op tienerproblemen. Zoals Lotte (10) uit Utrecht ooit schreef: ‘Ik vind dat jullie bijna allemaal zeuren. Dan weer iets over verkrachten, dan weer dit, dan weer dat.’ De Bruin: „In het begin probeerde ik het in balans te houden. Niet te veel brieven over dode cavia’s, en ook niet te veel over zelfverminking of anorexia. Later heb ik dat losgelaten. De kleintjes haakten langzaam maar zeker af.”

In het tijdperk van Katja de Bruin (1991-2006) was de rubriek er vooral voor pubers, tachtig procent meisjes. Daar zaten zware gevallen tussen – misbruik, zelfmoord, ernstig ziektes – waar De Bruin ook niet voor had doorgeleerd. „Ik ben natuurlijk geen hulpverlener. Ik werd Lieve Lita tegen wil en dank.” Een groot deel van haar taak was het doorsturen van de vele reacties aan de brievenschrijvers. „Dat moest dan in speciale bruine enveloppen, zonder het VPRO-stempel.” Ze kreeg ook vaak waardevol advies van volwassenen binnen. „Een vaste lezer werkte bij de zedenpolitie. Die kon wel eens helpen.”

Een van de brieven die blijvende indruk op haar maakte, was van een pedoseksuele jongeman. Het was een korte brief: „18-jarige jongeman, mislukt, mensenschuw, pedofiel & niet goed tegen het leven opgewassen, zoekt contact met iemand die bereid is mij in de vorm van een briefwisseling wat op te beuren.” De Bruin zegt dat ze veel met hem heeft gecorrespondeerd. „Nu zou je zo’n brief niet snel meer plaatsen.”

Taboes kwamen en gingen. De Bruin: „In de jaren negentig plaatste ik brieven van meisjes met een Marokkaanse vader die zich thuis geknecht voelden, of van meisjes die in het zwembad door Marokkanen in hun kont werden geknepen. De politiek correctie VPRO-achterban was dan woedend, omdat dat soort brieven stigmatiserend zou werken.” In haar bloemlezing Ik moest dit even kwijt (2008) schrijft ze: „Een enkele lezer vond dat de legendarische tolerantie van de VPRO nu wel een grens bereikt had.”

De Bruin hield ermee op toen ze alle problemen wel voorbij had zien komen: „Op het moment dat ik dacht: alwéér iemand die zich eenzaam en onbegrepen voelt, ben ik ermee gestopt. Terugkijkend heb ik precies de glorietijd meegemaakt. Ik had gemiddeld honderd tot honderdvijftig brieven per week. Daarna liep het snel terug.” Dat begon volgens haar met de komst van sociaal netwerk Hyves (2004-2013): „Met Hyves konden kinderen elkaar op een veilige manier bereiken, buiten het zicht van volwassenen om. Dat was toch de nekslag. Ze hadden ons doorgeefluik niet meer nodig.”