Recht & Onrecht

De Togacolumn: Rondtobben met mediwiet

In haar Meijerslezing van vorig jaar verdeelt de Leidse hoogleraar Sanctierecht en Straftoemeting Pauline Schuyt delinquenten in drie categoriën: mad, bad en sad. De slechten, de gekken en de zieligen. In die laatste categorie vinden we ‘mensen met enerzijds veel pech in het leven en anderzijds niet de capaciteiten en de mogelijkheden om daar op een goede manier mee om te gaan’. Voor iedereen die werkt in het strafrecht en veel verdachten ziet langskomen een herkenbare onderverdeling. Maar een categorie ontbreekt hier nog: de unlucky, oftewel de pechvogels. De mensen die wel pech hebben, maar niets verkeerds doen en desondanks in het strafrecht terecht komen – waar zij niet thuis horen.

Neem nu de HIV patiënt die op 10 februari van dit jaar door de Amsterdamse rechtbank werd ontslagen van alle rechtsvervolging. Zijn artsen hebben geconstateerd dat hij per dag vijf gram cannabis van een specifieke soort nodig heeft om klachten van pijn, misselijkheid en braken te onderdrukken. Deze soort cannabis is niet legaal verkrijgbaar. Andere middelen, waaronder medicijnen en wel legaal verkrijgbare soorten mediwiet, werken niet goed tegen zijn klachten. Daarom teelt hij thuis de cannabis die hij nodig heeft. Om aan de benodigde vijf gram per dag te komen heeft hij meer dan de vijf toegestane planten in huis. Daarvoor wordt hij strafrechtelijk vervolgd. De rechtbank ontslaat de man van rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in noodtoestand: hij heeft moeten kiezen tussen zijn plicht de Opiumwet na te leven en het belang van zijn gezondheid. Het belang van zijn gezondheid heeft in dit geval – terecht- zwaarder gewogen.

Eerder vervolgde het Openbaar Ministerie al eens de echtgenote van een MS-patiënt voor het kweken van eigen medicinale cannabis tot en met de Hoge Raad. Ook die verdachte werd ontslagen van rechtsvervolging. Het argument van het Openbaar Ministerie dat de vrouw geen beroep kon doen op noodtoestand omdat de gekweekte wiet niet nodig was voor haar zelf maar voor haar echtgenoot werd door de Hoge Raad, logischerwijs en gelukkig, verworpen.

Toen ik het Amsterdamse vonnis las, was ik – anders dan de meeste dagen van het jaar – even geen trots lid van het Openbaar Ministerie. Dit zijn niet de zaken waar het strafrecht voor bedoeld is. Pech had deze man wel – hij liep zijn HIV besmetting op bij een prikincident tijdens zijn werk als verpleegkundige – maar met zijn ‘capaciteiten en mogelijkheden’ om met die pech om te gaan, lijkt mij niet veel mis. Wie zou in zijn situatie niet de verlichting zoeken die hij heeft gezocht?

Tegelijkertijd weet ik dat mijn collega die de zaak vervolgde er gewetensvol naar heeft gekeken. De vragen waarvoor hij gesteld werd, waren niet de gemakkelijkste. Van de honderden soorten cannabis zijn er maar vijf legaal verkrijgbaar als mediwiet. Er zijn vele patiënten die baat hebben bij andere soorten cannabis dan die vijf ter verlichting van hun medische klachten. En er zijn nog heel veel meer mensen die geen patiënt zijn, maar zich daar best voor willen uitgeven om ongestoord hun eigen cannabis te mogen kweken. De wetgever vraagt van ons dat wij alleen die patiënten die echt geen enkel alternatief hebben voor eigen kweek ongemoeid laten, maar verder alle kwekers vervolgen. Ga er maar aan staan.

In Canada oordeelde een rechter onlangs dat patiënten een grondwettelijk recht hebben om hun eigen mediwiet te kweken. Hier in Nederland schreef (inmiddels) raadsheer in de Hoge Raad Jules Wortel al in 2005 dat “de toekomstige historicus die ons tijdperk gaat beschrijven zich, wat onze moeizame relatie met cannabis sativa L betreft, zal verbazen over de geldverslindende koppigheid waarmee wij, organen van justitie, met een onuitvoerbare opdracht blijven rondtobben”.

Een verstandige samenleving richt haar strafrecht zo veel mogelijk op de slechten, zo min mogelijk op de gekken en de zieligen en helemaal niet op de pechvogels. Die opdracht moeten wij bij het Openbaar Ministerie goed voor ogen houden. De uitvoering ervan wordt gemakkelijker naarmate de wetgever verstandiger keuzes maakt.

Ward Ferdinandusse is officier van justitie (landelijk parket, Rotterdam) en bijzonder hoogleraar internationaal strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat of een officier van justitie.

 

 

Blogger

Ward Ferdinandusse

Ward Ferdinandusse studeerde rechten in Amsterdam, waar hij promoveerde op de toepassing van internationaal strafrecht in nationale rechtbanken. Hij schreef voor het studentenblad Propria Cures en het voetbaltijdschrift Hard Gras. Ferdinandusse werkt als officier van justitie bij het Landelijk Parket in Rotterdam en als bijzonder hoogleraar Internationaal strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als officier was hij betrokken bij strafzaken, uitleveringsprocedures en onderzoeken naar internationale misdrijven zoals genocide, oorlogsmisdrijven, foltering, piraterij en (internationaal) terrorisme.