Ook de curatoren kwamen zelden meer bij V&D

Nog nooit eerder hadden de curatoren zó veel mensen tegelijk ontslagen. De mislukte doorstart van V&D was "ontzettend frustrerend".

Hanneke De Coninck-Smolders en Kees van de Meent. Foto:  Olivier Middendorp

Nooit eerder hadden ze met het zetten van hun handtekening zó veel mensen tegelijk ontslagen: ruim 10.500. „Die handtekening...”, zegt Hanneke De Coninck-Smolders. Medecurator Kees van de Meent vult aan. „Die zet je niet zomaar.”

Toch was het zo’n beetje het eerste wat ze deden, toen ze na het faillissement van V&D op Oudejaarsdag als curatoren aan de slag gingen: ontslagbrieven aan alle werknemers sturen. Een routineklus voor een curator – een failliet bedrijf kan zijn werknemers immers geen salaris meer betalen. Maar De Conink en Van de Meent moesten wel „drie keer slikken”. Want het is „ontzettend ingrijpend voor mensen”, zegt Van de Meent. Een ontslag geeft zó veel onzekerheid. Dat realiseerden we ons heel goed.

Op dat moment hadden de curatoren nog de hoop dat veel werknemers hun baan toch konden houden. Dan moesten zij alleen wel een koper vinden die de warenhuisketen uit 1887 wilde voortzetten. Wekenlang heeft het duo zich verschanst op het hoofdkantoor V&D in Amsterdam Zuidoost. Daar hebben ze tientallen potentiële kopers gesproken, eindeloos onderhandeld met ondernemers, vastgoedeigenaren en allerhande adviseurs, en hulp ingeroepen van het ministerie van Economische Zaken en van wie ze verder maar konden bedenken.

V&D had veel verschillende eigenaren voordat het failliet ging:

Maar hun missie is gestrand. Na een bijna-deal met ondernemer Roland Kahn, oprichter van kledingwinkel CoolCat, was de tijd halverwege februari om en moesten de curatoren het opgeven. Ze zijn er wel in geslaagd de succesvolle horecaformule La Place te verkopen aan supermarktbedrijf Jumbo. Maar de 62 warenhuizen van V&D wilde niemand hebben. De 8.000 mensen die daar werkten, zijn definitief hun baan kwijt.

Woensdag publiceren de curatoren hun eerste faillissementsverslag. Daarin leggen ze verantwoording af, in zakelijk, juridisch jargon. Hun persoonlijke beleving delen ze in een gesprek op het verlaten hoofdkantoor van V&D, met koffie uit achtergebleven kartonnen bekers van La Place – het inpandige La Place-restaurant is inmiddels al gesloten.

Hoe erg baalde u dat het mislukte?

Kees van de Meent: „Het was compleet balen. We hebben er non-stop aan gewerkt en hadden echt de indruk dat het zou kunnen lukken. Als het dan toch misgaat, is dat ontzettend frustrerend.”

Waarom is het niet gelukt?

Van de Meent: „In het laatste weekend ging het op meerdere vlakken schuren. De financiering werd lastiger. En het was lastig om de voorstellen van de verhuurders van de V&D-panden precies te laten aansluiten op de plannen van Kahn. Hij wilde minimaal 35 panden voor een doorstart, maar het ging er natuurlijk ook nog om wélke panden. En of de eigenaren daar vervolgens genoeg in wilden investeren, en genoeg huurkorting wilden geven. Alles moest bij elkaar komen. Op dinsdagmiddag 16 februari moesten we onderkennen: het lukt niet.”

Een van de laatste tv-commercials van V&D:

Weken daarvóór al had u La Place verkocht. De kritiek was dat u het tafelzilver te snel had weggedaan.

Van de Meent: „Die perceptie klopt niet. Er wás geen partij die zei: ‘Ik wil alles hebben maar als je La Place los verkoopt ben ik niet meer geïnteresseerd.’ Het was niet zo dat wij de kans op een doorstart verkleinden door eerst La Place te verkopen. Het bood juist een voordeel: de familie van Eerd van Jumbo had er vertrouwen in dat er ook een doorstart van de warenhuizen kon plaatsvinden en wilde daar zelfs behoorlijk in investeren.”

Was er geen enkele partij die de warenhuizen én La Place wilde kopen?

Van de Meent: „Nee, er was een nadrukkelijk onderscheid tussen partijen met interesse in de warenhuizen en in La Place.”

Hoeveel partijen waren dat?

Hanneke De Coninck-Smolders bladert door het faillissementsverslag en zegt dan: „Er waren in totaal zeventig partijen met interesse. Voor La Place hebben we zeven bindende biedingen gekregen, voor de warenhuizen geen enkele. Er was wel een handvol partijen met interesse.”

Van de Meent: „Dat waren buitenlandse warenhuisketens en private-equityfondsen. Eind januari zijn we met één partij in gesprek gegaan. Dat was nog voor Kahn zich had gemeld. Kort daarna haakte deze partij af, op financiële gronden – niet omdat Kahn ineens ook meedeed.”

De - inmiddels failliete - vestigingen van V&D:

We begrijpen dat dat OpCapita was, een Brits private-equitybedrijf. Klopt dat?

Van de Meent: „We voelen ons niet vrij om namen te noemen.”

Is er iets wat u beter had kunnen doen?

Van de Meent: „Dat hebben we ons afgevraagd en daar hebben we ook met allerlei partijen over gesproken. We hebben niet de indruk dat het wél was gelukt als we stappen anders hadden gezet. Dus het antwoord is nee. Dat klinkt misschien wat vreemd als je het zo stellig zegt. Maar ik durf dat wel te zeggen.”

Toen de rechtbank belde om te vragen of De Coninck en Van de Meent het faillissement van V&D wilden doen, zeiden ze meteen ja. „Graag ja”, zegt Van de Meent. „Het is eervol, als de rechtbank dat vertrouwen in je heeft.” Al wisten ze ook dat ze hun agenda’s „faliekant” moesten omgooien. Maar veel tijd om daarbij stil te staan, was er niet.

De twee troffen elkaar die avond direct op het hoofdkantoor van V&D, om ook het bestuur te ontmoeten. Toen ze arriveerden, waren de pizza’s net op. „We zaten in deze kamer”, zegt Van de Meent. „Die zijn we eigenlijk niet meer uitgekomen.”

De curatoren kenden elkaar nog niet, maar het klikte, vertellen ze. De rolverdeling was snel duidelijk. Terwijl Kees van de Meent de boventoon voerde, speelde de rustiger Hanneke De Coninck – meer op de achtergrond – een niet te onderschatten rol, zegt iemand die veel met hen te maken had tijdens de onderhandelingen. Ook tijdens het interview is Van de Meent degene die vrijwel onafgebroken praat. Gevraagd naar hun samenwerking, zegt De Coninck, met uitgestreken gezicht: „Kees kan heel goed het woord voeren, zoals jullie merken. Dat doet hij uitstekend!”

U was optimistisch over een doorstart, die zou er zelfs „100 procent zeker” komen. Was dat niet misleidend voor werknemers die daar zo op hoopten?

De Coninck: „We bedoelden dat er zeker in enige vorm een doorstart zou plaatsvinden – sowieso voor La Place. In de media is dat opgevat als: er komt 100 procent zeker een doorstart voor V&D. Binnen het bedrijf hebben we nooit gecommuniceerd dat er zeker een doorstart zou komen voor de warenhuizen.”

U heeft zich niet in de media getoond, u heeft alleen via persberichten informatie gegeven. Waarom?

Van de Meent: „We wilden de onderhandelingen maximale kans van slagen geven. Wij wilden geen verwarring veroorzaken.”

De Coninck: „Bovendien moesten we alle partijen ervan verzekeren dat ze alleen met óns spraken, niet met heel Nederland. Wij wilden dat ze zich kwetsbaar konden opstellen.”

Wat moet er nu nog allemaal gebeuren?

Van de Meent: „Alle warenhuizen en het distributiecentrum moeten leeg, die moeten we uiterlijk 1 mei opleveren. Dat is een enorme logistieke operatie. Leveranciers met een eigendomsrecht worden in de gelegenheid gesteld hun spullen op te halen. De voorraad die overblijft, moeten we verkopen.”

Is er ruzie over die voorraden?

Van de Meent: „Elke keer als wij een stap zetten, levert dat een lakmoesproef op. Omdat het om grote aantallen gaat, zijn er altijd momenten van wrijving. Zo menen sommige leveranciers nu dat zij recht hebben op bepaalde voorraden omdat ze geen afstand zouden hebben gedaan van hun eigendomsvoorbehoud. Wij denken daar anders over.”

Gaat u onderzoek doen naar de oorzaken van het faillissement?

Van de Meent: „Ja. We gaan in kaart brengen hoe het tot een faillissement is gekomen en kijken of er onregelmatigheden zijn geweest. Of iemand zichzelf vooraf heeft bevoordeeld ten nadele van andere schuldeisers. En hoe het bestuur de afgelopen jaren beleid heeft gevoerd. Daar beginnen we pas mee als we de onderneming hebben ontmanteld, dus daar hebben we nog geen mening over.”

Winkelde u zelf wel eens bij V&D?

Nu zwijgt Van de Meent en kijkt naar De Coninck. Die lacht. „Om heel eerlijk te zijn kwam ik er niet vaak. In Tilburg, waar ik opgroeide, was V&D wel echt hét warenhuis in het centrum. Maar sinds ik in Amsterdam woon, kom ik er minder.”

Van de Meent: „Voor mij geldt hetzelfde. Dat was natuurlijk ook het probleem.”