Srebrenica is er nog

‘Kom over een week maar terug. Als jullie er dán nog zijn, willen we wel praten.” De Vlaamse fotograaf Johannes De Bruycker en journalist Kasper Goethals zijn in Srebrenica. De stad die voor veel mensen vooral de herinnering oproept aan de genocide van 11 juli 1995, waarbij 8.000 moslimmannen de dood vonden.

„De inwoners waren achterdochtig”, vertelt Goethals. „Journalisten komen hier vaak haastig. Ze ploegen het verleden om en vertrekken.”

De Vlamingen hadden, 20 jaar na de genocide, andere plannen: ze wilden de stad zien, mensen spreken, weten hoe het nu is hier te leven. De eerste dagen zijn zwaar. De stad is nat, koud en vanuit de stad zien ze overal grafstenen. In elk huis dat ze bezoeken, hangen foto’s van verloren vaders, zoons en broers.

Toch blijft het duo een maand. Ze zien hoe de jeugd is weggetrokken – er is geen werk – of hun toevlucht zoekt in drank. Ze zien hoe de vluchtelingenkampen nog steeds worden bewoond. En vinden tekeningen, augurken en Nederlands bier in de Dutchbatkazerne, die er nog steeds staat. Ze zien ook hoe de zoons van Bosniërs en Serven, van moslims en orthodoxe christenen nu samen een voetbalteam vormen.

En ze ontmoeten Fatma (foto). Zij is een van de vrouwen die al sinds de genocide in Jezevac woont, een vluchtelingenkamp ten noorden van Srebrenica. Fatma lijkt zestig, maar ze is vijfenveertig en moeder van een dochtertje van tien. „Trauma’s veranderen mensen, ook fysiek”, zegt De Bruycker. „In Srebrenica zie je de invloed van één dag op een heleboel mensenlevens.”