Meer vast werk? Asscher blijft hopen

De nieuwe ontslagwet stond niet eerder zo ter discussie als nu. Dat er aanpassingen komen, lijkt wel zeker.

Werkgevers die op verschillende tijden in het jaar losse werknemers nodig hebben, zoals tuinbouwers, raken door de nieuwe ontslag- en flexwet in de problemen. Foto KOEN SUYK / ANP

Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) had er liever nog mee willen wachten, maar het gebeurt nu toch: binnenkort zitten werkgevers en vakbonden weer bij elkaar om te bedenken of – en hoe – de nieuwe ontslag- en flexwet kan worden veranderd.

De Wet werk en zekerheid, die geldt sinds juli vorig jaar, doet volgens veel werkgevers en arbeidsjuristen juist het omgekeerde van wat de bedoeling is: mensen met flexibele contracten krijgen níét eerder een vaste baan en werkgevers komen niet makkelijker van hun vaste werknemers af.

Vorige week zei werkgeversvoorzitter Michaël van Straalen van MKB Nederland in NRC dat de wet is mislukt. In dezelfde week zeiden ook arbeidsmarktdeskundigen, in een hoorzitting in de Tweede Kamer, dat de wet niet werkt.

Maar Asscher is er de man niet naar om dat zomaar te laten gebeuren. Ook al heeft hij het zelf vorig jaar in NRC nog „heel spannend” genoemd of de wet zou gaan doen wat hij moet doen. Van Straalen kreeg de dag na het interview een berichtje van de minister op zijn telefoon: die harde kritiek hoefde toch niet via de krant? Hij kon toch altijd bellen?

Asscher had ook ‘nieuws’ voor alle twijfelaars en critici, op de avond na de hoorzitting: „Het aantal vaste contracten is in het vierde kwartaal van 2015 met 5.000 toegenomen, na de invoering van de Wet werk en zekerheid. Dat is hoopgevend aangezien het precies het effect is dat we hebben beoogd.”

Het bericht, gebaseerd op cijfers van het CBS, werd door zijn medewerkers verspreid per e-mail en Twitter. Maar klopt het wel?

Volgens hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het CBS komt de conclusie te vroeg. Het is wel zo dat er eind vorig jaar meer vaste banen zijn bijgekomen en dat het aantal flexibele banen is gedaald. „Maar in het vierde kwartaal gaat het altijd iets beter met de vaste banen. Misschien omdat er dan meer tijdelijke contracten worden omgezet in contracten voor onbepaalde tijd.”

Daar komt bij, zegt hij, dat de CBS-cijfers niet zijn gecorrigeerd voor seizoenseffecten en daarom niet goed van kwartaal op kwartaal te vergelijken zijn. Het is beter om de cijfers van jaar op jaar te vergelijken en dat geeft een duidelijk beeld: tussen eind 2014 en eind 2015 is het aantal vaste werknemers met 48.000 gedaald en er kwamen 70.000 flexibele werknemers bij, ook al gold de Wet werk en zekerheid toen al een half jaar.

De hoopgevende trend van Asscher is in de statistieken dus nog niet te zien. In de afgelopen tien jaar (2005-2015) zijn er zo 517.000 vaste banen verdwenen en 664.000 flexbanen bijgekomen. In diezelfde periode is het aantal zzp’ers gestegen met 345.000, en het aantal mensen dat in deeltijd werkt met 574.000.

Ontslag is ook niet eenvoudiger geworden, zoals de bedoeling was. Het is, blijkt tot nu toe, juist moeilijker geworden om werknemers via de rechter te ontslaan.

Ruben Houweling, hoogleraar arbeidsrecht in Rotterdam, rekende de Tweede Kamerleden vorige week al voor dat het aantal ontslagaanvragen dat wordt afgewezen vorig jaar bijna 10 procent hoger lag dan tussen 2012 en 2014, en in de eerste weken van 2016 zelfs 20 procent hoger. Rechters toetsen strenger en vage redenen zijn geen grond voor ontslag.

Hoe moet het dan allemaal wel?

Werkgevers en vakbonden gaan dus praten over oplossingen en de Tweede Kamer debatteert er woensdag over met Asscher. De minister heeft al eerder een ‘verkenner’ op pad gestuurd om te horen welke problemen er zijn met de regel dat je als werkgever eerder verplicht bent om losse werknemers na een paar contracten in vaste dienst te nemen.

Het is lang niet zeker dat de wet snel kan worden veranderd. Maar wie oplossingen heeft, moet er nú mee komen.

Voor voetballers is het anders

Volgens Ruben Houweling hoeft het niet zo ingewikkeld te zijn. Samen met advocaat Max Keulaerds, voorzitter van de werkgroep Ontslagrecht van de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN), zette hij op een rij wat er moet gebeuren. „En daarbij leunen we op wat er eerder aan moties is aangenomen in de Tweede en de Eerste Kamer, dus politieke steun moet er wel voor zijn.”

Zoals: geef losse werknemers eerst een jaarcontract en daarna – als het goed gaat, maar de werkgever nog twijfelt – een contract van drie tot vijf jaar in plaats van een vast contract. GroenLinks en het CDA wilden dat eerder ook al.

Nu is er in de wet een uitzondering voor topvoetballers. Die hoeven zich niet te houden aan de regel dat je maar een beperkt aantal contracten mag hebben. De minister, vinden de juristen, zou zo’n ontheffing ook kunnen geven aan andere branches.

Nu raken allerlei werkgevers in de problemen als ze op verschillende tijden in het jaar losse, maar het liefst wel ervaren werknemers nodig hebben, zoals strandtenthouders, tuinbouwers en reisorganisaties voor gehandicapten. Volgens de wet moeten er, na een paar korte contracten, zes maanden tussen zitten voordat een flexkracht weer iets kan doen. Houweling en Keulaerds denken dat er voor sommige sectoren drie maanden van gemaakt kan worden, zoals eerst.

En: in het ontslagrecht gelden nu strikte gronden. Er is geen oplossing meer, met wat extra ontslagvergoeding, voor werkgevers en werknemers die het gewoon slecht met elkaar kunnen vinden. De twee juristen vinden dat de ‘restgrond’ uit de wet ook voor zulke gevallen zou moeten gelden, met een vaste formule erbij om de vergoeding te berekenen. Nu legt de rechter werkgevers ook ‘billijke vergoedingen’ op voor hun werknemers, als ze die slecht hebben behandeld. Maar de vergoedingen verschillen enorm per rechtbank.

„Vergelijk het met de alimentatie na een echtscheiding”, zegt Houweling. „Daarvan vinden we het toch ook normaal dat er regels voor zijn, ook al is elke scheiding weer anders?”