‘Het kan altijd nog meer swingen’

De Zweed Martin Fröst is een van de meest gewilde klarinetsolisten. Nu omarmt hij de klezmermuziek.

Martin Fröst: „Nieuwe composities beschouw ik als scholing.”

Een jaar geleden kreeg Martin Fröst (1970) het telefoontje. „Hello Martin. You won’t believe who is calling you”, hoorde hij toen hij opnam. De Zweed geldt als een van de beste klarinettisten in de klassieke muziek, toch voelde hij zich even klein. De man aan de telefoon was de reus van de moderne klezmer: klarinettist Giora Feidman. „Ik was bang dat hij belde om te zeggen dat ik het allemaal fout deed”, zegt Fröst. „Maar hij wilde mij aanmoedigen. Hij vindt het leuk dat ik als klassiek musicus de klezmer omarm.”

Het wil nog weleens misgaan als musici uit de klassieke muziek besluiten jazz of volksmuziek te spelen – het blijkt vaak lastig om los te komen van de gepolijste klank. Maar Fröst, de goudblonde Scandinaviër? Ook in het traditionele Joodse repertoire uit Oost-Europa klinkt hij overtuigend – al voelt hij zich er zelf nog steeds niet zeker over, ook niet na dat telefoontje van Feidman, die hij al jaren bewondert. „Ik ben nederig. Als ik mijn cd hoor, denk ik: het kan nog meer swingen. Maar misschien ben ik te perfectionistisch.”

Wie Fröst klezmer wil horen spelen, kan dit weekend terecht in Amsterdam en Haarlem. Fröst soleert bij het Nederlands Kamerorkest, waar hij artist in residence is. Zijn broer Göran maakte arrangementen van traditionele klezmerstukken. Verder klinken bewerkingen van Schumanns Stücke im Volkston en de Hongaarse dansen van Brahms. Het is muziek die ook te horen is op zijn nieuwste cd, Roots: een album als een eclectische mixtape met volksmuziek als rode draad, waarop hij terloops demonstreert dat je best klarinet kunt spelen en zingen tegelijk.

In Nederland heeft hij al een lange staat van dienst. Hij soleerde bij het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch, het Residentie Orkest en Amsterdam Sinfonietta, hij maakte indruk op het Utrechtse kamermuziekfestival van Janine Jansen. Fröst, die de indruk kan wekken dat de moeilijkste muziek eigenlijk doodeenvoudig is, bouwde een reputatie op met eigentijds werk. Toch: wie zijn speelschema bekijkt, ziet wel erg veel Mozart en Copland. Zelfs een van de meest gewilde klarinetsolisten kan blijkbaar niet om hun concerten heen.

„Van Mozart word ik niet moe. Maar veel van de andere grote repertoirestukken hoef ik niet meer zo nodig te doen. Ik doe dit nu een jaar of twintig, dan is de vraag: wil je over nog eens twintig jaar zeggen dat je duizend keer één bepaald stuk hebt gespeeld? Nee. Maar ik wil ook geen nieuwe muziek aanvragen omdat ik zo nodig nieuwe stukken moet. Je moet alleen muziek spelen als je voelt dat die muziek wat te vertellen heeft.

„Ik speel wel nieuwe muziek, maar uiteindelijk ben ik best wel conservatief. Ik ben zo iemand die stil wil zitten om in alle rust te luisteren naar een stuk. Dat ik nieuwe composities uitvoer, maar ook dat ik experimenteer met dans en mime, beschouw ik als scholing. Ik moet mezelf gewoon op de proef blijven stellen.”