CPB: belast opgebouwd vermogen in eigen woning

Het fiscale beleid rond woningbezit is ‘knellend’ voor jongeren en dat is slecht voor de economie.

Foto Istock

De waarde die woningbezitters in hun huis hebben zitten, zou op dezelfde manier moeten worden belast als bijvoorbeeld spaargeld en beleggingen. Dat stelt het Centraal Planbureau (CPB) in een notitie gevoegd bij de ramingen voor de economische groei in Nederland, die het maandag heeft gepubliceerd.

Een nieuwe regering zou hier bij het opstellen van een regeerakkoord liefst al werk van moeten maken, suggereert het CPB. De volgende Tweede Kamerverkiezingen staan gepland voor maart volgend jaar.

De maatregel kan eraan bijdragen dat relatief jonge huizenbezitters meer te besteden krijgen, wat goed is voor de economie en welvaartsverhogend werkt, aldus het CPB. Voor wat oudere huizeneigenaren, die al (aanzienlijk) wat waarde in hun huis hebben opgebouwd, zal het nadelig uitpakken. Zij moeten dan namelijk meer belasting betalen.

Concreet komt de voorgestelde maatregel erop neer dat de opgebouwde waarde in het huis voortaan wordt belast in box 3 van het belastingformulier. Nu is dat nog in box 1, waaronder ook het gewone inkomen valt. Met de maatregel zou een „verschuiving van de belastingen naar later in de levensloop” kunnen worden bereikt, aldus het CPB. „Zeker als de opbrengst van deze manoeuvre wordt benut voor een algehele lastenverlichting.” Het CPB stelt dat de maatregel „nivellerend” kan werken.

Het CPB schrijft in de notitie dat jonge huizenbezitters (dertigers en veertigers) nu een aanzienlijk deel van hun inkomen kwijt zijn aan pensioenpremies en hun hypotheek. Dat is een „onhandige timing”, volgens het planbureau, omdat hun inkomen waarschijnlijk nog stijgt en ze minder kunnen besteden doordat ze kinderen hebben die geld kosten. Het CPB benadrukt dat het vooral gaat om relatief jonge huizenbezitters in de hogere inkomenscategorieën.

Het huidige fiscale beleid rondom de eigen woning is bedoeld om woningbezit te stimuleren. De overheid ziet dat als positief omdat burgers zo vermogen kunnen opbouwen voor later. Maar volgens het CPB is de invulling van dat beleid momenteel juist „knellend” voor jonge huizenbezitters met een hoger inkomen.

Met name bij die groep is de noodzaak van deze overheidsturing kleiner, zegt het CPB, doordat zij vaak hoger opgeleid zijn en daardoor „beter in staat om zelf de beslissingen te overzien”.

Het CPB komt ook met andere voorstellen om het probleem aan te pakken. Er zou meer keuzevrijheid kunnen komen in de opbouw van pensioen. „Het paternalistische element wordt dan wat teruggeschroefd.” Eén mogelijkheid is dat het bedrag dat veel mensen nu verplicht opbouwen aan pensioen wat wordt verlaagd. Ze kunnen dan op het moment dat het hen uitkomt, vrijwillig meer opbouwen.

Een andere optie is het beperken van de verplichte volledige aflossing van de hypotheek tot 50 procent. Om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek moeten huizenbezitters nu 100 procent aflossen. Als die beperking wordt versoepeld, ontstaat er meer bestedingsruimte bij jonge huizenbezitters. Een variant hierop is dat jongere huizenbezitters de eerste jaren niet volledig hoeven af te lossen, maar dat zij later een „inhaalslag” moeten maken.

Het CPB ziet als vierde mogelijkheid een „verknoping” van pensioen en de eigen woning: wie meer aflost op zijn hypotheek zou minder pensioen kunnen opbouwen.