Column

Als je geen verblijfplaats hebt in de tijd

De Boekenweek stuurt eau de cologne rond. Een fles 4711 in een pakje: de postbode laat het op de stoep voor me achter. ’s Avonds laat schroef ik in gedachten de dop van de fles en dan golft de eeuwigheid opeens voorwaarts en achterwaarts over me heen. Het gebeuren lijkt op Proust. Op diens zoektocht naar ‘le temps perdu’, het verleden dat je met al zijn vreugden overspoelt zo gauw je een hap cake neemt. Maar het mag dan precies op Proust lijken, het flesje stuurt ook nog iets anders de lucht in dan verloren tijd. Het ruikt naar het heelal.

Kort daarvoor heeft iemand me ‘Hoogteverschillen’ van Julian Barnes gestuurd. De postbode sleept pakjes voor me aan als was ik een met uitsterven bedreigd dier en hij mijn oppasser in de dierentuin. Het boek van Barnes gaat over de tijd die voorbij is, over de vrouw die hij mist en heeft verloren, en vlak voor het eind van het boek duikt het woord ‘Sehnsucht’ op. Een Duits woord, schrijft Barnes, dat geen Engels equivalent heeft en dat zoiets betekent als ‘verlangen naar’.

Barnes is niet in milde stemming, hij is boos van verdriet en rouw, hij neemt het de wereld kwalijk dat de voorbije tijd maar niet terug wil keren. Dat geen Proustiaanse madeleine hem kan geven wat hij is kwijtgeraakt. En in deze grimmige stemming werpt hij het een heel land tegelijk voor de voeten dat het een woord heeft gevonden voor ontroostbaar verlangen. ‘Het lijkt nogal Duits’, schrijft hij, ‘om het niet-specificeerbare te specificeren.’

Wat een sleetse gedachte over Duitsland. Je zou net zo goed kunnen zeggen dat juist het Duits, door er een woord voor te kiezen, het onspecificeerbare laat voor wat het is. Het is het Engels dat Sehnsucht moet inkaderen door het te omschrijven. Om het hardst beschrijven Engelse schrijvers het als een ontroostbaar verlangen naar je weet niet wat, waarmee het meteen voor alle Europeanen vast staat: Sehnsucht is de unconsolable longing naar je ne sais quoi.

Nu ik hier ’s avonds laat in de keuken, leunend tegen het aanrecht, door Sehnsucht wordt overvallen, komt dat niet louter door de geur uit het flesje 4711. De Duitse letteren staan dit jaar centraal in de Boekenweek en hier sta ik met een Duitse fles Kölnisch Wasser dat Eau de Cologne heet. Het is niet zozeer de geur, maar vooral dat woord, Cologne, dat me voorover het verleden en achterwaarts de toekomst in gooit, en ik weet niet eens waarom. ‘Glockengasse No 4711’, staat op het flesje. ‘Köln a. Rh. / Cologne.’

‘Das ist die Sehnsucht’, zegt Rilke. Geen verblijfplaats hebben in de tijd – ‘keine Heimat haben in der Zeit.’ Je valt door de geschiedenis heen, je voelt tijdperken verstrijken en je hebt geen ander houvast dan het verlangen naar iets onbestemds waarvan je weet dat het nooit komen zal. Overal in de Duitse onspecificeerbaarheid mist iets, ontbreekt iets en dat roept ons. In zijn gedicht ‘Sehnsucht’ ziet Friedrich Schiller weliswaar een bootje dat hem naar het wenkende perspectief kan brengen, ‘einen Nachen seh ich schwanken’, maar de veerman ziet hij niet. ‘Aber ach! der Fährmann fehlt.’

Het flesje van de Parfümerie-Fabrik krijgt zo de allure van het bovenaardse. Kennelijk ruikt de kosmos naar citroen, bergamot, lelie en Bulgaarse roos. Want het gevoel dat me bevangt is niet het simpele verlangen naar de voorbije tijd, het is het reikhalzen naar het ontzagwekkende. Daarin ligt ook het verschil tussen Duitse Sehnsucht en Portugese saudade, schrijft een mysterieuze Amerikaan op het internet. Waar de Portugezen de onvervulde hunkering op aarde bezingen en het persoonlijke lot dat slingert tussen leven en dood, neemt het Duitse begrip in een grote zwaai het hele universum mee. ‘Sehnsucht, as I see it, is saudade with grand philosophy present. You can get a "B.A.", so to speak, in saudade, but "Ph.D." must be in Sehnsucht.’

De dingen gaan met me op de loop, stel ik gegeneerd vast. Ik zet de eau de cologne naast de broodplank op het aanrecht en blader de rest van de post door. Er zijn rekeningen, verzoeken, het dagelijkse gezeur en gedoe over de maatschappij. En wanneer ik na een halve minuut toch nieuwsgierig word en opnieuw het gouden en Bremer blauwe etiket bestudeer – ‘Blau-Gold Echt Kölnisch Wasser Doppelt’ – gebeurt er niets meer. De kosmos zwijgt.

Wat blijft is het besef dat iets daarbuiten roept. Iets onduidelijks dat kan worden opgerakeld door de naam Cologne en dat je, hoe hard je ook zoekt, nooit van je leven zult kennen of vinden. Volgens de Britse schrijver C. S. Lewis hoort een mens op zo’n moment te roepen: ‘Dit is waar ik voor gemaakt ben.’ En, oké, dat roep ik dan maar voorzichtig door de keuken. En daarna moet ik eindelijk weer eens aan het werk.