Column

Wees voorzichtig met de hypotheekrenteaftrek

Nog nooit was de hypotheekrente zo laag als op dit moment. Het bodemtarief voor een hypotheek met een vaste rente is inmiddels gezakt tot onder de 2 procent. Dat heeft veel te maken met de gedaalde rente op langlopende leningen. De Nederlandse staat zou, als er nu voor tien jaar wordt geleend, 0,3 procent rente betalen. Ook banken zien hun tarieven voor het inlenen van geld dalen: de zogenoemde swaprente voor tien jaar bedraagt nu minder dan 0,6 procent. En dat komt terug in de hypotheektarieven.

Vandaar dat veel consumenten graag hun bestaande hypotheek zouden openbreken, om van de lage rente te profiteren. Dat hun hypotheeknemers, voornamelijk banken, daar slechts mondjesmaat, of met boeterentes, aan tegemoetkomen, valt hun niet aan te rekenen. Er is sprake van een langlopend contract en daar mag een bedrijf zijn klanten aan houden. Dat banken nog steeds niet erg sympathiek worden bevonden doet daar niets aan af.

De lage rente leidt intussen tot discussies over de aftrek van de hypotheekrente. De Delftse hoogleraar Peter Boelhouwer pleitte deze week voor een versnelde afschaffing van deze aftrek. Nu de rente zo laag is, kan dat relatief pijnloos. Met andere fiscale maatregelen valt het verlies van de huizenbezitter te compenseren.

Er is veel voor deze aanpak te zeggen. De huidige afbouw van de hypotheekrenteaftrek, met 0,5 procentpunt per jaar, gaat erg traag. De tijd dat de overheid het huizenbezit meende te moeten aanmoedigen met een renteaftrek is allang voorbij. En de goedkope financiering van nu riskeert, in samenhang met een achterlopend aanbod van koopwoningen, dat de huizenprijzen wederom gaan stijgen.

Het belangrijkste tegenargument, dat de huizenmarkt nog kwetsbaar is en een nieuwe schok moeilijk aankan, is niet sterk. Allereerst zou die schok niet erg groot zijn: dat is nu juist het gevolg van het feit dat de rente al zo laag is. Bedacht moet ook worden dat in het verleden veel ingrepen op de woningmarkt en de financiering daarvan niet doorgingen door diezelfde bezorgdheid. Het is juist een van de redenen waarom de zeepbel op de woningmarkt zo groot kon worden, en daarna zo pijnlijk knapte.

Toch is er ook een belangrijk argument tegen een versnelde afbouw of afschaffing van de aftrek: het gaat hier om een langlopend contract tussen overheid en burger. De afspraak dat de aftrek geleidelijk zou worden afgebouwd mag niet licht worden geschonden. Alleen als dit budgetneutraal – voor huizenbezitters én nieuwe huizenkopers – kan worden doorgevoerd, mag die overeenkomst eenzijdig worden opgezegd.